Verantwoording en control volgens de bedoeling: hoe dan?

Wouter Hart (die het principe van ‘werken volgens de bedoeling’ lanceerde) schreef een prachtig verhaal over verantwoorden en toezicht ‘volgens de bedoeling’. https://www.managementsite.nl/toezicht-anders-verantwoorden

Ik ben het helemaal eens met zijn betoog en ging nadenken over de praktische vertaling ervan. Hieronder mijn samenvatting van zijn artikel, aangevuld met wat ideeën over hoe je het zou kunnen doen.

Alle citaten zijn afkomstig van het artikel van Hart.

Principe van artikel Hart Praktische vertaling naar toezicht en control
Prik de illusie van zeker weten door Control en toezicht risico-gestuurd invullen
Richt je op de bedoeling, niet puur het systeem Audits inrichten als spiegel om van te leren, waarbij maatschappelijk effect centraal staat
Ga op zoek naar het verhaal Maak de PenC cyclus een punt van reflectie om stil te staan bij hoe het gaat
Om te weten moet je ook iets meten Cijfers heb je nodig, maar ze zijn niet alles: ze zijn het begin van een verhaal, die hoort er altijd bij.
Verdiep je in de praktijk Maak een praktijkdag onderdeel van het controleprotocol
Toets het toetsend vermogen Ga als controller naast de manager staan en help om te sturen, stel de vraag aan de professional hoe ze weten of ze het goed doen.
Maak het verschil Durf weg te blijven uit de regel reflex: als er iets misgaat is dit meestal niet de oplossing.

Toelichting op het tabel:

Principe 1: Prik de illusie van het zeker weten door.
‘In plaats van het zeker weten moeten controllers en accountants gaan kijken naar waarschijnlijkheid. In plaats van aantoonbaarheid en garanties naar termen als aannemelijkheid en het vergroten van kans. En in plaats van meetbaar naar merkbaar.’

Praktisch gezien: kijk meer naar de risico dat iets fout gaat, en richt je daarop: maak control veel meer risico-gestuurd. Daar waar er grote risico’s zijn ga je er dieper op in, voor de rest: vertrouw erop dat de meeste mensen het goed willen doen. In dat licht is het hoopgevend dat er ook vanuit de control instituten aandacht hiervoor is: de FAMO organiseert deze maand een bijeenkomst over meer risico-gestuurde control.

Principe 2: Richt je op de bedoeling, niet puur het systeem

Hart gaat hier vooral in op hoe de audit-functie wordt ingevuld. Daarin moet niet op zoek worden gegaan naar of wel aan alle regeltjes is voldaan, maar HOE de regel wordt gehanteerd, als er van wordt afgeweken, is dat in lijn met de maatschappelijke opgave van de organisatie? Ligt daar een professioneel oordeel onder?

Ik zou daaraan willen toevoegen: maak de audits onderdeel van je leervermogen als organisatie. Opzet en uitvoering staan dan in het teken van ‘lessons learned’ en die verspreiden.

Principe 3: Ga op zoek naar het verhaal

Cijfers zijn niet alles. Er gaat heel veel energie in het maken van cijfermatige overzichten, maar er wordt te weinig bij stilgestaan wat het verhaal van en achter die cijfers is. Gesprekken over wat er gebeurd is, waarom, en hoe?

Ik zou daaraan willen toevoegen: maak dát de basis van je Planning en Control cyclus. Niet de cijfers, maar de gesprekken erover moeten centraal staan. Gebruik die als reflectiemoment om met elkaar kritisch stil te staan bij hoe het gaat.

Principe 4: Om te weten moet je ook iets meten

Cijfers helpen om inzicht te krijgen in hoe het gaat. Daarbij is het wel opletten dat niet het cijfer de doelstelling wordt, maar het doel waarover het iets zegt. Wel fijn als je als gemeente minder schooluitval realiseert, nog interessanter is hoe je dat voor elkaar hebt gekregen. Cijfers zijn een begin van een verhaal.

Zie hierbij ook mijn opmerkingen over 3.

Principe 5: Verdiep je in de praktijk

“Zowel cijfers als verhalen gaan over de praktijk, maar ze zijn niet de praktijk. Meelopen en meekijken is essentieel voor toezichthouders.”

Eigenlijk zou een praktijkdag onderdeel moeten zijn van het controleprotocol. Als start ervan dus. Ik denk dat die extra investering voor de toetspraktijk van onschatbare waarde zal blijken te zijn.

Principe 6: Toets het toetsend vermogen

“Wellicht is de beste vraag in het komen tot een oordeel over professionele deskundigheid de vraag hoe de ander zelf weet dat zijn oordeel deskundig is. Het zet de ander aan om verantwoordelijkheid te nemen en op zoek te gaan naar sturingsinformatie om antwoord te geven op zijn eigen probleem. En opeens is de controller niet meer de vijand die controleert wat jij doet, maar je beste vriend die je helpt bij jouw verantwoordelijkheid als professional.”

Hier heb ik niets op toe te voegen. Het is wel een complete omkering van hoe control momenteel wordt ingevuld. En nog lang niet gemeengoed bij de opleidingen. Het komt wel in de buurt van wat ‘business control’ wordt genoemd: integraal en toekomstgericht adviseren. Business control richt zich echter vooral op efficiency en kostenbesparing, minder op toegevoegde waarde, minder op de vraag hoe manager en professional nu weten of ze het goed doen.

Principe 7: Maak het verschil.

De regel-reflex is in grote mate aanwezig in onze samenleving. Als er iets fout gaat moeten er nieuwe regels komen, is de algemene tendens. En de verantwoordelijken moeten ter verantwoording worden geroepen. Hart beargumenteert echter dat het wegblijven van dit reflex juist helpt om de gewenste gedrag tot stand te laten komen. Als mensen zelf voor oplossingen moeten gaan zorgen in plaats van dat er weer nieuwe regels komen, zal je veel eerder een cultuur krijgen van verantwoordelijkheid nemen, leren en professioneel ontwikkelen.

Projectmatig werken, instrument voor vertrouwen of control?

Momenteel volg ik een training projectmatig werken. Fijn om weer op te frissen hoe het ook al weer werkt. Ik was wel de eerste dag gelijk aan het denken gezet omdat de trainer beweerde dat projectmatig werken bijdraagt aan het opbouwen van vertrouwen. Huh? Projectmatig werken kent toch strakke structuren en een behoorlijk intensieve planning en beheersingssysteem? En is gebouwd op risicomanagement? En wordt vooral gebruikt in een complexe omgeving om grip te krijgen op de zaak? Allemaal control termen. Weliswaar kan je opdrachtgever er wat rustiger van worden, maar ik zag nou niet 1-2-3 iets dat lijkt op vertrouwen hier opdoemen.

Maar toch.

Op een ander niveau zou het wel kunnen. Projectmatig werken heeft altijd multi-disciplinaire teams die vaak vanuit verschillende belangen aan het project deelnemen. Dat brengt een groot risico met zich mee rondom samenwerking, of een gebrek daaraan. Dat tackelen zal toch echt eerst met het opbouwen van vertrouwen moeten starten. Daar zijn ook boeken over geschreven, waaronder die over ‘value-based’ projectmanagement.

Maar toch.

In ons boek “Veldgids Vertrouwen” hebben Frans de Jong en ik aangetoond dat organisaties de investeren in meer vertrouwen én meer control, iets heel belangrijks kwijt raken (zie hier) . Projecten met perfecte samenwerking die helemaal in control zijn moet je eigenlijk niet willen. Het project raakt hierdoor namelijk afgesloten van externe invloeden en kritisch feedback verdwijnt achter de horizon. Het is best goed als het tussen mensen knalt in het project-team, dat kan namelijk nieuwe inzichten opleveren. En een beetje chaos is af en toe ook wel verfrissend, toch?

 

#Decentraliseren? Centraliseren is juist nodig in het sociaal domein bij gegevensuitwisseling en opleidingen

Gemeenten hebben vanaf dit jaar een hoop nieuwe taken erbij gekregen als gevolg van de nieuwe Jeugdwet en de nieuwe WMO. Vandaag sprak ik erover met enkele collega’s, zowel van gemeenten als van zorgaanbieders. Conclusie? Twee onderdelen hadden helemaal niet aan gemeenten overgelaten moeten worden.

Allereerst is verzuimd om afspraken te maken over gegevensuitwisseling. Voorheen hadden zorgaanbieders te maken met enkele zorgkantoren of een provincie, nu met 393 gemeenten. Dat heeft geresulteerd in een totaal van 145.000 productcodes in het land voor jeugdwet en wmo samen. Gegevensuitwisseling kan niet veilig gebeuren omdat de landelijke standaarden hiervoor nog niet overal werken. Facturatie van geleverde zorg is ook een drama. Gemeenten moeten kunnen vaststellen dat de zorg is geleverd aan een inwoner binnen hun gebied, en zorgaanbieders mogen geen medische gegevens verstrekken. Hoe moet een gemeente nu vaststellen dat er zorg verleend is aan een inwoner? En hoe moet de zorgaanbieder factureren? Er is nu een wetswijziging onderweg die dit gedeeltelijk repareert, maar het is symptoombestrijding. Gegevensuitwisseling zou juist op landelijk niveau gecoördineerd moeten worden om privacy van burgers te waarborgen. En om te voorkomen dat we omkomen in bureaucratie.

Het tweede grote hiaat betreft de kwalificaties van de professionals. Gemeenten hebben in 2015 overal sociale wijkteams opgezet, met generalisten die bij multi-problem gezinnen in staat zijn om meerdere problemen aan te pakken en te regisseren. De professional moet de ruimte krijgen, is het credo – hij/zij moet voldoende mandaat hebben om te doen wat er nodig is. Dat heet professioneel vertrouwen – weten dat iemand het kan en mag oplossen. Maar hoe weet de professional in de wijkteam wat hij/zij moet doen? Veelal komen ze uit een gespecialiseerde instelling, en zijn dus lang nog niet generalist. En wat is nou eigenlijk de beste manier om multi-problematiek aan te pakken? Welke methodiek past het beste bij welke situatie? Het ontbreekt (nog) aan professionele standaarden. Er is geen opleiding, er is geen methodiek. Al zijn alle medewerkers van de sociale wijkteams met de beste intenties aan de slag gegaan, een stuk van de basis is afwezig. En die basis kan niet door 393 gemeenten afzonderlijk gebouwd worden, maar moet op landelijk niveau.

 

Bewoners #wantrouwen de #overheid die ze zelfsturend wil laten zijn

Mag ik jullie allemaal attenderen op de geweldige site van www.socialevraagstukken.nl. Een plek waarin er ruimte is voor nuance als het gaat om de herinrichting van het sociaal domein. Een plek waar er ruimte is voor debat: de voors en tegens komen ruimschoots aan bod. Een plek waar er op een publieksvriendelijke manier over wetenschappelijk onderzoek wordt geschreven. Kortom, ik ben fan.

Lees vooral dit laatste artikel over de moeizame relatie tussen overheid en de wens tot zelfsturende burgers met de geweldige kop “Bewoners wantrouwen overheid die ze de regie wil geven”. http://www.socialevraagstukken.nl/site/2015/04/22/professionele-drukte-en-argwanende-bewoners-vereisen-ruimte-om-te-leren/.

Ik moest gelijk denken aan wat ik vaak hoor van burgerinitiatieven over hun ontstaansredenen. Waarom zijn ze ooit begonnen? Vanwege een gebrek aan vertrouwen in de overheid om iets op te lossen…..

Hoe ga je om met crisis in het sociaal domein?

Crisis is onvermijdelijk

Hoogleraar Ira Helsloot (http://www.ru.nl/bestuurskunde/koppeling/helsloot/) ben ik tegengekomen bij een sessie over omgaan met crisis in het sociaal domein – hoe ga je als gemeente om met de voorbeelden als het Maas meisje, of Savanna? Het zijn vreselijke drama’s, en helaas – voor een deel onvermijdelijk: de samenleving is minder maakbaar dan je zou wensen bij dit soort situaties.

De eerste reflex bij zo’n tragedie is vaak om de schuldige te zoeken (wie is hiervoor verantwoordelijk?), gevolgd door maatregelen om ervoor te zorgen dat het nooit meer kan gebeuren. Vanzelfsprekend wordt de overheid verantwoordelijk gesteld, en die moet maatregelen nemen. Dit heeft geleid tot volkomen absurde maatregelen die iedereen die iets doet in de zorg zal herkennen. Doorgedraaide verantwoordingseisen, gedetailleerde regelgeving, protocollen en registers….

Er is ook een andere manier van reageren. Wie is er voor zo’n vreselijke ramp verantwoordelijk? De dader natuurlijk, en niemand anders. De rol van de lokale overheid is op dit soort momenten niet om schuldigen aan te wijzen of stoer te doen, maar om troost te bieden, empathie te tonen en ervoor te zorgen dat er een uitlaatklep is voor de menselijke emoties die een dergelijke ramp oproept. En daarna in alle rust gaan kijken of er iets in het systeem als geheel is dat verbeterd kan worden.

Nuttige observaties, die veel uitgebreider staan (en met hele fraaie voorbeelden van hoe het wel en niet moet) in deze bundel: symposiumbundel-de-risico-regelreflex-in-het-openbaar-bestuur(1)

Bijen vang je met honing, niet met azijn. #decentralisaties

Met stijgende verbazing lees ik de afgelopen periode allerlei noodkreten van instellingen in de zorg. Steevast wijzen ze naar gemeenten.

Van de een gaat het niet snel genoeg – de aanbieders willen NU contracten getekend hebben. Er lijkt daar weinig besef van dat ze zelf daar ook een rol in spelen. Gemeenten leggen namelijk niet eenzijdig contracten op, ze worden met de instellingen zelf uitonderhandeld. Als dat langer duurt dan verwacht, dan komt dat van twee kanten. En gemeenten hebben nog maar net zicht op de budgetten die ze krijgen. Zonder geld kan je geen contracten afsluiten, dat lijkt mij een vrij normale volgorde. En ze moeten natuurlijk ook allemaal nog door de gemeenteraad worden goedgekeurd in november – dat is nou eenmaal hoe onze democratie werkt. Enig begrip en wat meedenken in hoe je hier praktisch mee om kan gaan, zou een stuk constructiever zijn dan blijven klagen.

Weer anderen vinden dat het tempo van de veranderingen niet snel genoeg gaat: er is teveel aandacht voor de transitie, dus de overheveling, en te weinig voor de vernieuwing kwam van de week vanuit de Eigen Kracht Centrale. Een zorgvuldige transitie in 4 maanden tijd is iets dat uiteraard de aandacht vraagt – gemeenten hebben nog steeds niet alle gegevens van de mensen die nu zorg ontvangen, zodat ze ze kunnen informeren en afspraken maken voor volgend jaar. Dus het lijkt mij nogal wiedes dat je eerst de transitie regelt. Verwijten maken naar gemeenten op dit punt is echt niet gepast.

Weer andere partijen vinden gemeenten niet kundig en waarschuwen steeds voor de rampen die ons staan te wachten. Het lijkt ze niet te deren dat zij straks van diezelfde gemeenten afhankelijk zijn voor hun inkomsten. Wat voor een hypotheek leg je op de samenwerking als je nu al je partner als niet-deskundig kwalificeert? En wat voor aanbod heb je als instelling richting gemeente gedaan om die vermeende gebrek aan deskundigheid op te lossen?

Het zou een stuk prettiger samenwerken zijn als er vanuit het veld iets meer van een constructieve houding aangenomen zou worden. Iedereen weet dat het een zware operatie is, dat met grote bezuinigingen gepaard gaat. Die bezuinigingen doen zeer. Dat beseffen gemeenten maar al te goed. Een constructieve gesprek hierover is zeker mogelijk, en lijkt mij een stuk productiever dan de modder die nu naar gemeenten wordt gegooid.

Technologie moet je wantrouwen, Google en Facebook voorop

Op zaterdag haal ik altijd een stapel kranten om het weekend mee door te komen. Vandaag trof ik in twee kranten (FD en Trouw) een interview met Evgeny Morozov, filosoof en technologie criticaster. Beide interviews waren naar aanleiding van de Nederlandse vertaling van zijn boek, ‘Om de wereld te redden, klik hier.’ Nu is zijn boodschap intrigerend, maar het verschil in die twee artikelen vond ik ook boeiend.

Bij het FD zijn er een aantal thema’s dominant. De monopolies van bedrijven als Google en Facebook zorgen voor een enorme datahonger – die door mensen gevoed moet worden. De bedrijven wekken een soort verslaving op zoals fastfoodbedrijven dat doen door zout en suiker aan hun etenswaren toe te voegen. Morozov vindt dat er meer wantrouwen nodig is naar deze bedrijven toe – en dat sluit ook mooi aan bij een van de thema’s van www.veldgidsvertrouwen.nl, waarin er een pleidooi is opgenomen voor gezond wantrouwen. Verder hekelt hij de wijze waarop technologie omgaat met oplossingen. Voor alles is een app te bouwen, maar dat lost vaak niet het probleem zelf op. Je kunt niet met een app de honger in de wereld verbannen. Daarnaast creëert de technologische oplossing nog meer problemen: wat gebeurt er met de data van die app? Daar wordt veel te weinig over nagedacht, zoals ik een paar weken terug over blogde op http://angelawerkt.wordpress.com/2014/05/23/blijft-er-nog-wat-over-van-het-publieke-domein-in-het-digitale-tijdperk/. Met al die technologie wordt trouwens ook de individuele verantwoordelijkheid steeds groter. Als je met allerlei apps je gezondheid kunt monitoren, wordt het vanzelf bijna een schande als je ziek wordt – en gaat je verzekeringsmaatschappij daar ook iets van vinden. En dat maakt mensen steeds banger en angstiger, omdat ze zich over steeds meer zaken zorgen moeten maken. Is een van de uitwegen uit dit systeem dan de deeleconomie? Welnee, zegt Morozov. De deeleconomie kan alleen een uitweg bieden als er geen geld in het spel is. Anders wordt alles vermarkt, en wordt de waarde van steeds meer zaken in je leven alleen maar in geld uitgedrukt. Zo’n initiatief als AirBnB maakt je thuis tot een ‘commodity’ dat verhandeld kan worden. Terwijl het veel meer betekenis heeft dan een bedrag in geld.

Bij Trouw komen daarnaast andere onderwerpen meer aan bod. Morozov geeft daarbij aan dat er over internet en technologie wordt gesproken alsof ze een eigen dynamiek hebben, die niet te beïnvloeden is. Maar de politieke beslissingen en maatschappelijke consequenties ervan zijn heel echt en worden nu gewoon voor lief genomen, terwijl we er wel iets van kunnen en moeten vinden. Zo heeft nieuwe technologie niet geleid tot meer vrijheid in informatie-uitwisseling, maar is het een zeer effectief instrument voor onderdrukking door allerlei autoriteiten. Ook hier weer de pleidooi voor meer achterdocht naar de bonte verzameling partijen die het technologie-geloof verspreiden: de ondernemers die er aan verdienen, de goedbedoelende internetactivisten, de intellectuelen die er boeken over schrijven (en zo er van leven, vaak in combinatie met een consultancy praktijk). Daarbij is het essentieel om de politieke dimensie niet te vergeten – hoe rommelig en rafelig dit proces ook is, het is belangrijk dat het debat gevoerd wordt.

Wat het alternatief voor dit alles is, weet Morozov ook niet, geeft hij eerlijk toe. Maar dat we er over moeten nadenken en met elkaar in discussie gaan is wel duidelijk. Wat vinden jullie?

Blijft er nog wat over van het publieke domein in het digitale tijdperk?

Het publieke domein is een groot goed: het is de plek waar mensen elkaar tegenkomen zonder interventies van politiek of commercie. Dat domein kent een ruimtelijk component (zoals het park in de stad) en een intellectueel component (de vrije uitwisseling van ideeën). Dat laatste gebeurt in toenemende mate steeds vaker digitaal, en verdient daarom ook de aandacht in de inrichting van die digitale systemen. In een essay van Frank Huysmans wordt mijn groeiend onbehagen over zowel overheids- als commerciële inmenging rondom informatie-uitwisseling helder verwoord. Het volledig artikel is te lezen op http://warekennis.nl

Dat onbehagen komt van meerdere kanten volgens Huysmans. De overheid blijkt op grote schaal gegevens van burgers te verzamelen – en ze met andere landen uit te wisselen. Dit heeft op den duur een censurerende werking: mensen gaan opletten wat ze mailen of welke opmerkingen ze doen, want stel je voor dat de NSA denkt dat ze een terrorist zijn. Er is dus niet alleen een privacy schending, het perkt daadwerkelijk ook de ruimte in het publieke domein in. Daarnaast verzamelen bedrijven steeds meer gegevens – en verhandelen ze ook, zonder dat burgers inzicht hebben in wat er wordt verzameld en aan wie het wordt verkocht. Je digitale identiteit is niet meer van jou. Hoe je je presenteert in het digitale publieke ruimte (en dat is de basis voor vrije interactie) kan je zelf niet meer in de hand houden. Huysmans noteert ook de exorbitante winsten van uitgevers als Reed Elsevier, die voornamelijk verdienen aan wetenschappelijke publicaties waarin kennis wordt verhandeld dat met publiek geld (de universiteit) tot stand komt. Die kennis wordt daardoor zo duur dat het niet voor iedereen beschikbaar is in het publieke domein, en innovatie en ontwikkeling minder tot stand komt dan mogelijk met alle kennis. Auteursrecht is nog zo’n obstakel voor vrije informatie-uitwisseling. Huysmans erkent dat er een belangentegenstelling zit tussen de makers (die wel ergens van moeten leven) en de vrije informatie-uitwisseling (waarin idealiter de kennis gratis of tegen een geringe vergoeding is te krijgen). Hoe die tegenstelling nu opgelost moet worden blijft bij Huysmans nog onduidelijk, ook modellen als Spotify en Blendle leveren nog te weinig op, zelfs voor de meest populaire artiesten / schrijvers.

Wat hieraan te doen? Allereerst is het nodig dat er meer bewustzijn komt over dit onderwerp. Het schouderophalend ‘ ik heb toch niks te verbergen? ‘ is volgens Huysmans funest. Voor de komende periode schetst Huysmans een praktische agenda van stappen die gezet moeten worden om het digitale publieke domein als publieke plaats in stand te houden. Daarbij hebben informatici in alle soorten en maten een rol (zoals de bibliothecaris, de informatie-analist, iedereen die met informatiestromen bezig is). Ik licht een aantal punten van zijn agenda uit:
– op dit moment woedt er op Europees niveau en in de VS een discussie over netneutraliteit. Netneutraliteit betekent dat alle informatiepakketjes die over het web vliegen zonder aanschijns des persoons worden afgehandeld. Bedrijven met veel dataverkeer of geld zoeken naar manieren om voorrang te krijgen – waardoor kleine partijen benadeeld worden. Zonder netneutraliteit is vrije uitwisseling van informatie onmogelijk.
– privacybescherming moet terug op de agenda, niet alleen in regelgeving maar ook in de handhaving ervan.
– informeer jezelf en verspreid kennis hierover

Dat laatste doe ik bij deze. 🙂

In memoriam Frans de Jong

frans en ik_2Het heeft een aantal dagen geduurd voordat ik wat letters op papier kon krijgen over Frans. De eerste dagen kon ik niet helemaal bevatten dat Frans er niet meer is. Ik leerde Frans kennen bij een lezingenreeks in 2006? 2007? – ik vond het een geweldig verhaal (zoals alleen Frans dat kon doen – vijftig volgepropte sheets in negentig minuten), de rest van de toehoorders keken wat glazig. Daarna bleef ik met Frans contact houden. Soms in de rol van opdrachtgever, vaker om samen gezellig wat te drinken en/of een hapje te eten. Op een warme zomermiddag in 2010 vroeg ik Frans of hij zin had om met mij een boek te schrijven. ‘ Ja, leuk’ zei hij. ‘Waar gaat het over?’

Dat was Frans ten top – altijd in voor avontuur. De nieuwsgierigheid van een puber in het opzoeken van grenzen (op zijn 60e gewoon lekker naar Lowlands gaan, dat deed hij dan ook). We hebben er 2,5 jaar over gedaan om ons boek te schrijven – het hadden er ook vijf kunnen worden en het had twee keer zo dik kunnen zijn. Hoe ik ook mijn best deed, er was geen lijn in het schrijfproces te krijgen. Elke keer als we hadden afgesproken ‘ jij gaat dit uitwerken, ik redigeer dat’ dan kwam hij niet met het afgesproken stuk – maar iets wat totaal anders was. En briljant. De pointe van het stuk gaf net een extra laag, en MOEST er daarom ook in. Net weer een andere afslag, nooit op de hoofdweg blijven. Dat was ook Frans. Dat maakte dat we bleven schuren, schaven en schrijven – het werd een avontuur op zich. En vorig jaar was daar ons boek, www.veldgidsvertrouwen.nl.

Intellectueel waren we aan elkaar gewaagd, in werkwijze waren we volstrekte tegenpolen. Ik kom in actie bij deadlines, bij Frans werkte ze verlammend. Ik hield koers, Frans ging iedere zijweg in. Ik vermeed woorden van meer dan vier lettergrepen, Frans schreef zinnen met voornamelijk woorden van meer dan vier lettergrepen. Die tegenstellingen maakte dat we elkaar door en door leerde kennen – het waren botsingen, maar hele respectvolle botsingen. Zijn grootste compliment aan mij was dat hij vergat dat ik vrouw was – ‘dat gedoe’ zat er niet tussen. Zo voelde dat ook voor mij – hij was mijn maat.

Maar al vergat hij dat ik vrouw was, Frans bleef een heer. Een stijlvolle heer. Iemand die uit het niets een feest kon maken. Lekker eten, goede wijn, een goed gesprek – ach, wat heb je meer nodig? En met minimale middelen toch stijlvol aangekleed. Die party tent in het veld in Halle zal ik nooit meer vergeten. Het was gewoon chique om daar op die kampeerstoeltjes te zitten en je te warmen aan een goed fikkie. Omdat hij dat met flair deed. Met schwung. Met zo’n levenslust. Met van die heerlijke tirades over Russische filosofen, deze belachelijke regering, gemarchandeer bij deze en gene, over planten en dieren – want zijn parate kennis was onvoorstelbaar groot.

Ach Frans.

Wat ga ik je missen.

Veldgids Vertrouwen (alles onder controle?)

 Het boek van Frans de Jong Veldgids_PRen mij ligt bij de vormgever. Een korte schets:
 
Met welke stijl bestuur je een team, een organisatie? Lenin zei: vertrouwen is goed, maar controle is beter. Wij hebben die tegenstelling tussen vertrouwen en control ontmaskerd: die blijkt vals te zijn – leuk om te doen, maar wat hebt u daaraan? 
Onze benadering biedt u een bredere blik. Er zijn meer smaken dan vertrouwen óf control. Vertrouwen én control is ook een optie. Of: geen enkel vertrouwen, geen enkele control – onder sommige omstandigheden is dat een uitstekende besturingsstrategie.
 
Van alle mogelijkheden schetsen we de karakteristieken. 
En we onderzoeken in welke omstandigheden is de ene strategie verstandig is, en in welke de andere. We bieden een instrument aan om een goede analyse van uw situatie te maken. Daarmee wordt het boekje als het ware een veldgids die u kan helpen bij het bepalen van de meest passende manier om een team of een organisatie aan te sturen. 
 
We denken dat we een voor de bedrijfskunde nieuw en origineel boekje te hebben gemaakt: 
We omarmen soms vertrouwen (zoals velen doen) maar houden ook een pleidooi voor gezond wantrouwen (wat haast niemand doet). We pleiten voor control (waarin we niet uniek zijn), maar geven ook een beschrijving van de zeven doodszonden van control (waarin we toch echt bijzonder zijn).
 
Het is een boek geworden dat u helpt om slimmer, meer ontspannen, breder en effectiever na te denken over de besturing van uw team, uw organisatie, uw onderneming.