Kwijtschelden van schulden loont

Deze week was ik bij het Festival van Bestuurskunde, waar er een boeiende sessie werd gehouden over schuldenproblematiek. Daar kwamen wat onthutsende feiten op tafel:

  • 1 op de 5 Nederlanders worstelt met problematische schulden,
  • 80% hiervan is niet in beeld bij schuldhulpverlening.
  • Er gaat jaarlijks 11 miljard om in het oplossen en tegengaan van schulden.
  • De schuldenberg  waar we die 11 miljard tegenaan gooien, bedraagt 3,5 miljard.

De wijze waarop in Nederland omgegaan wordt met mensen in schulden, is gebaseerd op de aanname dat mensen zelf schuldig zijn aan het maken van schulden en zelf verantwoordelijk zijn voor het oplossen daarvan. Dat maakt dat mensen zich schamen om hiervoor hulp te vragen, en dat hulpverleners met sterke vooroordelen de “schuldigen” tegemoet treden.

Maar hoe zou het wel moeten? Het Nationaal Initiatief Herstructureren Schulden heeft een methode ontwikkeld en past deze inmiddels bij enkele gemeenten toe. Kern van de aanpak:

  • Installeren van een lokaal fonds. Het fonds neemt de schulden over van burgers zodat ze niet langer met verschillende schuldeisers werken maar alleen met één partij: de gemeente.
  • Binnen vier weken na aanmelding herstructureren schulden
  • Duurzaam nazorgtraject met lokale initiatieven: de handleiding hiervoor staat op hun site.

Uit recent wetenschappelijk onderzoek naar wat armoede doet met de hersens van mensen blijkt ook dat het vermogen om verstandige besluiten verdwijnt bij extreme armoede. Mensen zijn dan alleen aan het overleven. En ook meer dan voldoende aangetoond: straf helpt niet om gedrag te veranderen, beloning wel. En als ik dan kijk naar schuldsanering dan lijkt het toch echt meer op straf dan beloning: je krijgt namelijk jarenlang alleen handgeld om van te leven. Niet echt een motivatie om je aan te melden.

Na afloop bleef ik met die 11 miljard in mijn hoofd zitten en het feit dat we mensen met schulden niet echt een wenkend perspectief weten te bieden. Als we het nu eens echt anders aanpakken? Hier mijn idee:

  • Als mensen zich aanmelden, neemt de gemeente die schulden over, daar staat qua termijn maximaal vier weken voor.
  • Mensen krijgen vervolgens een maatwerktraject waarbij ze werken aan gedragsverandering, dit kan gekoppeld zijn aan de schulden maar ook aan andere levensgebieden.
  • Als beloning voor deze gedragsverandering wordt steeds een deel van de schulden kwijtgescholden.

Zou dat werken? Wat denken jullie? Reacties zijn welkom.

Nieuwe vormen van contractering in het sociaal domein geven burgers een belangrijke rol

Veranderingen in beleid betekenen ook nieuwe financiële verhoudingen in het sociaal domein. Nieuwe vormen van inkoop doen hun intrede.

Van oudsher hebben gemeenten gewerkt met twee inkoop vormen: subsidiëren (waarbij je vooral regelt dat een voorziening beschikbaar is) en aanbesteden (waarbij je het beste voor je geld uit de markt probeert te halen). Afgelopen jaren kwamen daar wat creatieve vormen bij. In de ruimtelijke hoek kwamen verrassende uitkomsten door creatiever om te gaan met de eisen die vooraf worden gesteld. In plaats van gedetailleerde bestekken wordt vooraf het bedrag vastgesteld en het minimum aan resultaat dat daarvoor gerealiseerd moet worden. Partijen worden dan beoordeeld op wat ze dan bovenop dat minimum voor elkaar weten te krijgen. In de sociale hoek is er inmiddels ruime ervaring opgedaan met bestuurlijk aanbesteden, waarbij er met een grote groep partijen in dialoog tot overeenkomsten wordt gekomen.

In het themanummer ‘Maatschappelijk aanbesteden’ van ‘Tijdvoorsamen’ een handzaam overzicht van wat er op dit terrein aan het bewegen is in het sociaal domein. Volop voorbeelden van gemeenten die nieuwe manieren opzoeken om tot contracteren te komen. Nieuw hierin is dat burgers een prominente rol krijgen in het proces. Ook de dialoog met de partijen in de wijk is een essentieel onderdeel van het proces. Hieronder voor mij de belangrijkste lessen:

  • Kies een schaal waarop het te overzien is, dus buurten van maximaal 25.000 bewoners. Per buurt kan je dan afspraken maken die echt maatwerk zijn.
  • Start met het formuleren van de eisen samen met bewoners en (sociaal) ondernemers uit de wijk. Leg ze dus niet vooraf eisen op maar begin met een open dialoog.
  • Laat bewoners mee selecteren in wie wat gaat doen. En wees erop voorbereid: ze zijn vaak kritischer dan de gemeente, meer kostenbewust en spreken daarna ook de gecontracteerde partijen aan.
  • Weest bewust van de juridische regels – maar zoek daarin ook de ruimte op.
  • Neem politiek en bestuur vanaf het begin mee. Maatschappelijk aanbesteden brengt veel politieke dilemma’s met zich mee.
  • Focus op het creëren van publieke waarde. Waarde die inclusief is en democratisch gelegitimeerd.
  • Keep it simple! Teveel eisen betekent dat partijen die waarde kunnen toevoegen worden uitgesloten.
  • Als je met consortia afspraken wil maken: zorg voor een onafhankelijke partij die ze verbindt. Anders krijg je toch machtsstructuren en hiërarchie in plaats van echte samenwerking.
  • Een andere rol van de gemeente: ga ‘regileren’: organiseer het leren van en met elkaar.

Meer hierover op de website http://www.maatschappelijkaanbesteden.nl/.

Het boekje is te downloaden : www.tijdvoorsamen.nl

 

 

 

Wat is er tegen resultaatsturing? Deel 4 van de serie over resultaatsturing en de decentralisaties

foto_ren_ten_bos_w220Iedereen wil het, resultaatgericht werken, en al helemaal in het sociale domein: al dat softe gedoe moet toch wel ergens toe leiden? Toch zijn er heel veel tegenargumenten. Ik ga ze hier niet zelf op een rij zetten omdat iemand anders dat veel beter heeft gedaan, namelijk René ten Bos. Het artikel verscheen in januari in de Volkskrant en ik kan het zelf niet beter omschrijven. Lees de volledige tekst hier: http://www.boomfilosofie.nl/actueel/artikelen/magazine_artikel/23/Resultatitus-Het-nut-van-nutteloosheid

Een commentaar op het artikel van Ten Bos, over wat dat maatschappelijk betekent, die blinde focus op nut en resultaat, kan je hier lezen: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/14348/Bart-Smout/article/detail/3573093/2014/01/07/Wie-een-lege-agenda-heeft-is-verdacht.dhtml

En in het volgende deel van deze serie zoeken we naar een uitweg, weg van de resultatitis, maar wel met een koers bewaren en verantwoording afleggen.

Valt er eigenlijk wel iets te sturen dan? Deel 3 van de serie over Resultaatgericht sturen en de decentralisaties

674-2-lagen-lak-op-het-stuurVrijwel alle gemeenten geven aan dat ze resultaatgericht gaan sturen in het sociaal domein vanaf 2015 als de decentralisaties zover zijn. Maar wat betekent die ‘resultaatgerichtheid’ precies? In deze artikelen wordt dit thema wat meer uitgediept zodat het meer inhoud krijgt. Deze blog gaat in op de schijnbare paradox tussen de sturing op resultaat waarnaar gestreefd wordt, en de on-stuurbaarheid van de maatschappij.

Waar waren we gebleven bij de vorige blogs?

Bij de eerste blog http://angelawerkt.wordpress.com/2013/12/31/wat-betekent-resultaatgericht-werken-bij-de-decentralisaties-1/ werd de huidige situatie in kaart gebracht. http://angelawerkt.wordpress.com/2014/01/02/wat-is-dat-eigenlijk-resultaatgericht-deel-2-van-de-serie-over-resultaatgericht-sturen-en-de-decentralisaties/ gaf invulling aan de gebruikte begrippen met de definitie: “Resultaat is het produkt van een proces. Gericht betekent: ingestelde procescondities, parameters, die het bereiken van een geformuleerd doel bevorderen. Werken is een proces dat actief is en zowel bewust als onbewust voortdurend door mensen autonoom aangestuurd wordt. “

Bij het ontleden van die definitie valt op dat er binnen het sociaal domein nauwelijks wordt gekeken naar het tweede deel: de condities waaronder het resultaat tot stand kan komen. Die condities zijn gelegen in zaken als bewezen methodieken en medewerkers die goed opgeleid zijn en blijven voor het werk dat ze doen. Pas al het resultaat bekend is, en de condities in orde zijn, ontstaat er ruimte voor zelfsturende teams.

Valt er dan wel te sturen eigenlijk?

Om te beginnen is er de vraag hoe maakbaar de samenleving is, en in hoeverre mensen daadwerkelijk te beïnvloeden zijn door de overheid? Het geloof in de maakbare samenleving neemt af. De overheid kan de samenleving helemaal niet sturen. De overheid moet meer faciliteren en mogelijk maken, is het adagium. Meer aansluiten bij wat er is, af en toe wat smeerolie erin en dan weer terugtreden. Aan de andere kant eisen burgers wel dat ze waar voor hun belastinggeld krijgen: je moet dus wel kunnen laten zien wat het allemaal heeft opgeleverd. Opvallend is verder dat op het gebied van toezicht (bankensector, veiligheid, tegengaan van fraude, enzovoorts) de roep om optreden van de overheid heel sterk aanwezig is. Waar past resultaatgericht werken en resultaatsturing dan in dit verhaal als het over het sociaal domein gaat? Drie basisregels gelden:

1. Wees bescheiden

Enige bescheidenheid in de resultaten die gehaald moeten worden is op zijn plaats. Gezien de veelvoud aan factoren waarop de gemeente geen enkel invloed heeft en die wel allemaal invloed hebben op het sociaal domein, getuigt het van realisme als er heel bescheiden naar welk onderdeel van welk resultaat ook wordt gestreefd. De economische crisis heeft bijvoorbeeld op het gebied van inkomen, gezondheid, welzijn, opleiding en zelfredzaamheid een enorm invloed. De gemeente heeft echter geen invloed op de economische crisis. Bescheidenheid doet ook recht aan het feit dat in het sociaal domein de gemeente een van de vele partijen is: naast de gemeente zijn er de betrokkene zelf, zijn/haar naasten, de omgeving, zijn/haar werk of school, enzovoorts. Kortom: resultaten bereik je niet alleen, dus eis ze ook niet op.

2. Wees eerlijk over de eigenaarschap van resultaten

Op microniveau, dus op individueel burger niveau, is het gewenste resultaat het resultaat van en voor de burger. De gemeente kan hier soms een bijdrage aan leveren als het nodig is. Maar de uitkomst van die interventie is niet het resultaat van de gemeente – het resultaat van de gemeente is gelegen in de meerwaarde van een interventie. Als een burger dus een rolstoel nodig heeft om te kunnen participeren in de maatschappij, dan is het resultaat van de gemeente dat ze een stukje mobiliteit heeft gefaciliteerd. Die participatie is weer een heel samenspel tussen de burger en zijn/haar omgeving, waar de gemeente misschien verder helemaal niet bij betrokken is. Participatie doelstellingen geven het idee dat de overheid wel participatie voor haar burgers kan regelen – terwijl participatie het resultaat is van acties van burgers onderling.

 3. Pak een rol met meerwaarde

Toezicht is bij uitstek een publieke taak omdat er bij toezicht tegenovergestelde belangen in het publieke domein worden verenigd. Toezicht sluit ook mooi aan bij het tweede deel van de definitie van resultaatgericht werken: die gerichtheid bestaat uit het zorgen voor condities waarbinnen het resultaat gehaald kan worden. Kennis en kwaliteit dus. Het is misschien niet de meest sexy rol op dit moment maar juist wel een rol waar de overheid meerwaarde kan betekenen: in het vastzetten van minimum eisen voor de inrichting van de processen in het sociaal domein, door kwaliteitseisen te stellen en door te investeren in de kennis die opgebouwd moet worden om te komen tot een methodisch verantwoorde aanpak. Als er ergens op gestuurd kan worden door gemeenten dan is het juist op dit terrein.

 De grote valkuil van resultaatgericht werken en sturen

De grootste valkuil van resultaatgericht werken is precies wat het is: die focus op het gewenste resultaat. Waarom is dat een valkuil? Er kunnen namelijk hele andere dingen gebeuren als gevolg van de ingezette processen – en als iedereen alleen maar gebrand is op het bereiken van dat ene resultaat, dan worden die andere effecten niet gezien.

Hoe ga je hiermee om? Daar gaat de volgende blog over.

 

 

Wat is dat eigenlijk, resultaatgericht? Deel 2 van de serie over Resultaatgericht sturen en de decentralisaties

Image

Vrijwel alle gemeenten geven aan dat ze resultaatgericht gaan sturen in het sociaal domein vanaf 2015 als de decentralisaties zover zijn. Maar wat betekent die ‘resultaatgerichtheid’ precies? In deze artikelen wordt dit thema wat meer uitgediept zodat het meer inhoud krijgt. Deze blog geeft wat meer duiding aan de begrippen ‘resultaatgericht‘ en ‘resultaatsturing‘.

 Eerst even een definitie erbij halen

Het begrip ‘resultaatgericht’ als werkwijze komt oorspronkelijk uit de HR / PenO hoek, het wordt heel vaak als competentie gevraagd bij personeel. In die context heeft het begrip al een veel langere geschiedenis dan in het sociaal domein. Vanaf de site waar werkelijk alles over resultaatgericht werken te vinden is komt deze mooie definitie:

Resultaat is het produkt van een proces.
Gericht betekent: ingestelde procescondities, parameters, die het bereiken van een geformuleerd doel bevorderen.
Werken is een proces dat actief is en zowel bewust als onbewust voortdurend door mensen autonoom aangestuurd wordt. “1

Hieronder worden deze drie onderdelen bekeken in de context van de decentralisaties.

 1. Resultaat is het product van een proces.

In het sociaal domein wordt er vaak over resultaat gesproken in termen van verbetering van de zelfredzaamheid van kwetsbare burgers. Een begrip als zelfredzaamheid (of zoals het bij sommige gemeenten heet, samenredzaamheid) is echter nog niet zo makkelijk te vertalen. Wat is dan het resultaat van het proces? Voor wie? Voor de burger? Voor zijn/haar mantelzorger? Voor de directe omgeving? Voor de betrokken professional(s)? Voor de wijk waarin hij/zij woont (en misschien wel overlast verzorgt)? In welke termen moet het resultaat dan vooraf gedefinieerd worden? Het resultaat is met andere woorden niet eenduidig, maar kent verschillende niveau’s:

  • micro niveau: een resultaat voor de betreffende inwoner en/of directe betrokkenen (zoals ouders, mantelzorgers)

  • macro niveau: een resultaat voor de directe omgeving van de inwoner (op wijk of buurtniveau, of bij de instelling waar hij/zij verblijft)

  • meso niveau: een resultaat voor de samenleving als geheel (dit is dan op gemeentelijk niveau vanaf 2015).

En voor ieder niveau zal er dus moeten worden nagedacht, hoe het proces een bijdrage hier aan levert.

  1. Gericht betekent “ingestelde procescondities, parameters, die het bereiken van een geformuleerd doel bevorderen.”.

In het sociaal domein betekent dit dat er volgens methodieken wordt gewerkt, waarvan bewezen is dat ze het beoogde resultaat zullen opleveren. Dergelijk methodisch onderzoek en praktijk staat nog in de kinderschoenen – er is bijvoorbeeld geen HBO opleiding tot medewerker sociaal team (de generalist die het in de meeste gemeenten straks allemaal moet gaan doen). En wetenschappelijk onderzoek op dit terrein is nog te schaars om van een methodisch deugdelijk werkwijze te spreken. Binnen sociale diensten wordt de laatste jaren een begin gemaakt met de ontwikkeling van vakmanschap: van echte professionalisering dus. Bij gemeenten zelf is hier ook nog het nodige werk te doen: beleid wordt steeds vaker geformuleerd met bijbehorende doelen, maar aandacht voor de randvoorwaarden en condities om die te bereiken komt maar zelden voor. Wil er echt werk gemaakt worden van die resultaatgerichtheid is hier in 2014 nog wel wat werk te verzetten.

Bij het inkopen van voorzieningen kunnen deze parameters en procescondities meegenomen worden als onderdeel van de kwaliteitseisen: wordt er volgens een bewezen methodiek gewerkt, is er een vorm van kwaliteitsbewaking, wordt er bijgehouden wat welke inzet oplevert voor wie? In veel onderdelen van de hulpverlening zijn dergelijke systemen in werking (met de nodige administratieve lasten, dat hoort er helaas wel bij).

  1. Werken is een proces dat actief is en zowel bewust als onbewust voortdurend door mensen autonoom aangestuurd wordt.

Resultaatgericht werken betekent dat er ruimte is voor zelfsturing: mensen kunnen dus vanuit hun professionaliteit, met de aanwezige condities (zie punt 2) en met een doel voor ogen (zie punt 1) aan de gang. Met resultaatgericht werken blijft het proces ook aan de gang: “Een doorlopend, repeterend en zelfregulerend proces is een proces dat, eenmaal ingeschakeld, zichzelf – onder wisselende omstandigheden met passende variaties- voortdurend herhaalt. Kortom, dat “leeft”. Een resultaat is pas positief als het naast een te leveren produkt, ook de noodzakelijke energie en gunstige condities levert voor de instandhouding van het proces. Kortom: Een zelfsturend (autonoom) resultaatgericht werkend proces kan overleven, groeien en bloeien.2

Binnen het sociaal domein (waar er veel roep is om ‘meer ruimte voor de professional’) lijkt deze vorm van werken zeer geschikt. Het biedt de ruimte voor maatwerk binnen een kwalitatief hoogwaardig systeem. Kanttekening daarbij is wel dat er nog veel werk te doen is op alle drie deze punten, in het helder krijgen van:

  1. welke resultaten er nu precies verwacht worden van wie en voor wie

  2. wat de juiste condities zijn om die te behalen en

  1. organisaties die in staat zijn om met zelfsturing om te gaan

Het is dus maar zeer de vraag of er dus al vanaf 1-1-2015 op resultaatgericht werken kan worden ingezet. Er ontvouwt zich hier wel een agenda om tot die resultaatgericht werken te kunnen komen!

En wat is dan resultaatsturing?

Belangrijk voor een resultaatgericht werkproces is dat de resultaten (de afgelegde weg en de voortgang) regelmatig worden teruggekoppeld naar de aanstuurders / eindverantwoordelijken. Bijsturing kan nodig zijn als blijkt dat resultaten anders zijn dan verwacht (dit kan zowel in positieve als negatieve zin het geval zijn). Resultaatsturing betekent dat er vooral op het niveau van de resultaten wordt gestuurd, en op het realiseren van de voorwaarden om die te bereiken. In het sociaal domein betekent dit dat naast het formuleren van resultaten, er ook aandacht nodig is voor het formuleren van kwaliteitscriteria en voor professioneel en competente personeel met voldoende mandaat om de verlangde resultaat daadwerkelijk te kunnen behalen.

Maar is dit echt de oplossing?

Past resultaatgericht werken wel bij het sociaal domein? Om te beginnen is er de vraag hoe maakbaar de samenleving is, en in hoeverre mensen daadwerkelijk te beïnvloeden zijn door de overheid? Het geloof in de maakbare samenleving neemt af. De overheid kan de samenleving helemaal niet sturen en individuele burgers evenmin. De overheid moet meer faciliteren en mogelijk maken, is het adagium. Meer aansluiten bij wat er is, af en toe wat smeerolie erin en dan weer terugtreden. Aan de andere kant eisen burgers wel dat ze waar voor hun belastinggeld krijgen: je moet dus wel kunnen laten zien wat het allemaal heeft opgeleverd. Waar past resultaatgericht werken en resultaatsturing dan in dit verhaal als het over het sociaal domein gaat? Daar gaat de volgende blog over.

2Eveneens van de site www.van-osch.com/lipoweb

Wat betekent resultaatgericht werken bij de decentralisaties? /1

ImageVrijwel alle gemeenten geven aan dat ze resultaatgericht gaan werken in het sociaal domein vanaf 2015 als de decentralisaties zover zijn. Enkele voorbeelden: Gemeente Heemstede gaat ‘vraag- en resultaatgericht werken’ 1. Gemeente Hellevoetsluis wil een ‘cliënt- en resultaatgericht basisproductaanbod’ realiseren. In de Noordoostpolder zeggen ze hierover : “En tot slot willen we dat de ondersteuning die we bieden meer resultaatgericht is. Omdat we inwoners ondersteunen met een doel – het bevorderen van meedoen in de samenleving – willen we dat het effect dat uitgaat van onze inspanningen meer centraal staat.”2. Ook de VNG raadt aan om resultaatgericht werken inzet te laten zijn van het gesprek met de aanbieders. 3

Maar wat betekent die ‘resultaatgerichtheid’ precies? In de komende artikelen wordt dit thema wat meer uitgediept zodat het meer inhoud krijgt. Deze blog geeft eerst een schets van de huidige sturing, zodat duidelijker wordt waarom de wens leeft om het anders en ‘resultaatgericht’ te gaan doen. Hoe gaat het er nu aan toe? Een korte schets per regeling.

Bij de huidige WMO is er een kanteling gaande van productgericht werken (verstrekking van producten zoals huishoudelijke hulp en rolstoelen) naar vraaggericht werken. Die kanteling vindt onder meer plaats door middel van het beroemde keukentafel gesprek. Doel van het gesprek is zowel om de vraag van de burger scherp te krijgen, als om het vermogen van de burger en zijn/haar omgeving om die vraag op te lossen, in beeld te krijgen (de ‘eigen kracht’). Vraagsturing is echter nog niet hetzelfde als resultaatsturing. Bij vraagsturing geldt ‘ u vraagt en wij draaien’ – de burger is daarbij veelal consument. Ook bij de gekantelde WMO is nog steeds sprake van consumentisme: de burger heeft namelijk in bepaalde gevallen recht op een voorziening vanwege de wettelijke compensatieplicht.

Bij de AWBZ wordt er op meerdere vlakken gestuurd: productie, budgetten en ook via het instellen van de toegang. Zorgkantoren kopen namens het rijk de benodigde diensten in. Aanbieders tekenen in voor productie tegen een specifieke prijs en kunnen dan na het gunstig aflopen van de onderhandelingen op basis van pxq (prijs maal aantal) de afgenomen diensten declareren. Via de toegang (wie heeft wanneer recht op een product?) wordt vaak geprobeerd om de productie naar beneden bij te sturen. Dit hebben we de afgelopen jaren meerdere keren gezien bij bijvoorbeeld het strenger toepassen van voorwaarden om voor enige vorm van begeleiding in aanmerking te komen.

Binnen de WWB (Wet Werk en Bijstand), zijn rechtmatigheid en financiële overwegingen dominant. De nadruk bij de WWB ligt nu op handhaving, rechtmatigheid en mensen vooral stimuleren om zelf iets te doen. De gemeente heeft nauwelijks nog instrumenten en middelen om mensen naar de arbeidsmarkt te geleiden, wat het oorspronkelijke doel van de WWB was.4 De rol van de gemeente is die van uitvoerder van steeds strenger wordende wetgeving.

Binnen de provinciale Jeugdzorg is veelal sprake van aanbodsturing: er wordt via subsidies geregeld dat er een aanbod is van zorg. Dat is in bijvoorbeeld crisis situaties geen verkeerd uitgangspunt: er moet dan opvang zijn. Punt. Op andere vlakken heeft het er echter toe geleid dat het aanbod enorm is toegenomen (voor iedere wachtlijst wordt immers weer meer subsidie uitgetrokken, om maar één pervers effect te noemen). De van Rijkswege gefinancierde jeugdhulp kent een brede waaier aan sturingsvormen en financieringswijzen, zie voor een overzichtelijke blik op deze ratjetoe het rapport van BMC. 5

Gemeenten zien dat dit wel beter kan (net als de ouders en kinderen die op al deze regelingen aangewezen zijn) en zetten daarom in op resultaatsturing. Ook nog eens integraal: dus dwars door alle regelingen heen. Gemeenten gaan het beter doen: het resultaat van de inspanning, dat is waar het om draait. En het meeste resultaat voor het minste geld, dat natuurlijk ook. Maar wat gaat dit betekenen in de praktijk? In een volgende blog wordt het begrip resultaatgerichtheid nader uitgeplozen.

4Zie hiervoor ook de kritiek van Divosa op de maatregelen die in 2013 en 2014 worden genomen: http://www.divosa.nl/actueel/nieuws/divosa-wwb-maatregelen-belemmeren-gemeenten-bij-uitvoering

Complexiteit is leuk!


Een tijdje terug alweer een lezing gehad over complexiteit van Geert Tijsman van de EUR (Bestuurskunde). Met name zijn benadering van complexiteit als fenomeen is mij bijgebleven.

“Complexiteit is een kwaliteit” begon het mee. Dat kan je op twee manieren interpreteren. De eerste is complexiteit als een kenmerk of eigenschap van een situatie, in beschrijvende zin dus. De tweede interpretatie van kwaliteit is in positieve zin als iets dat het de moeite waard is om te koesteren. Vooral die tweede interpretatie zette mij aan het denken: waarom zijn we altijd bezig om complexiteit te reduceren? Is er niet iets heel erg moois in complexiteit dat de moeite waard is om vast te houden? Hoe kan je complexiteit gebruiken om te komen waar je wilt zijn?

Over die laatste vraag ging een heel stuk van de middag, maar dan impliciet. Tijsman heeft aardig wat publicaties op zijn naam staan over besluitvorming. Grote, belangrijke besluiten zijn een resultante van vele complexe systemen die van alles met elkaar uitwisselen en dan uiteindelijk leidt het ertoe dat iemand ergens ‘een klap op geeft’. Dat laatste punt is ook maar een punt in een heel kluwen van bewegingen en lijnen. En die ‘klap’ is dan eigenlijk alleen een markering onderweg, het is dan al in beweging gezet, het gaat al gebeuren maar heeft een stuk formele legitimering nodig. Die ‘beslissers’ zijn dus vaak niet de echte beslissers, dat doen ze alleen formeel. Waar gebeurt het dan wel? In complexe systemen overal en nergens dus. Je kunt niet je energie op die beslissers focussen maar moet het dus verdelen over het hele netwerk.

En dan nog…..
Het mooie van die complexiteit is dat het ook onvoorspelbaar is: je kunt dus verrast worden! Omgaan met complexiteit betekent wel, dat je zoekt naar manieren om de kansen te vergroten dat wat je voor ogen hebt, ook gaat gebeuren. Het blijven echter kansen, je hebt nooit garanties. Complexiteit brengt ook twijfel met zich mee, en die twijfel voedt het onderzoekend vermogen, mensen gaan op zoek, er ontstaat een mogelijkheid om te innoveren.

Na zo’n middag weet ik weer waarom ik een liefhebber ben van lekker ingewikkelde dossiers: ze kunnen mij verrassen, er komt vernieuwing uit, en er zit een hoop uitdaging in!