Kwijtschelden van schulden loont

Deze week was ik bij het Festival van Bestuurskunde, waar er een boeiende sessie werd gehouden over schuldenproblematiek. Daar kwamen wat onthutsende feiten op tafel:

  • 1 op de 5 Nederlanders worstelt met problematische schulden,
  • 80% hiervan is niet in beeld bij schuldhulpverlening.
  • Er gaat jaarlijks 11 miljard om in het oplossen en tegengaan van schulden.
  • De schuldenberg  waar we die 11 miljard tegenaan gooien, bedraagt 3,5 miljard.

De wijze waarop in Nederland omgegaan wordt met mensen in schulden, is gebaseerd op de aanname dat mensen zelf schuldig zijn aan het maken van schulden en zelf verantwoordelijk zijn voor het oplossen daarvan. Dat maakt dat mensen zich schamen om hiervoor hulp te vragen, en dat hulpverleners met sterke vooroordelen de “schuldigen” tegemoet treden.

Maar hoe zou het wel moeten? Het Nationaal Initiatief Herstructureren Schulden heeft een methode ontwikkeld en past deze inmiddels bij enkele gemeenten toe. Kern van de aanpak:

  • Installeren van een lokaal fonds. Het fonds neemt de schulden over van burgers zodat ze niet langer met verschillende schuldeisers werken maar alleen met één partij: de gemeente.
  • Binnen vier weken na aanmelding herstructureren schulden
  • Duurzaam nazorgtraject met lokale initiatieven: de handleiding hiervoor staat op hun site.

Uit recent wetenschappelijk onderzoek naar wat armoede doet met de hersens van mensen blijkt ook dat het vermogen om verstandige besluiten verdwijnt bij extreme armoede. Mensen zijn dan alleen aan het overleven. En ook meer dan voldoende aangetoond: straf helpt niet om gedrag te veranderen, beloning wel. En als ik dan kijk naar schuldsanering dan lijkt het toch echt meer op straf dan beloning: je krijgt namelijk jarenlang alleen handgeld om van te leven. Niet echt een motivatie om je aan te melden.

Na afloop bleef ik met die 11 miljard in mijn hoofd zitten en het feit dat we mensen met schulden niet echt een wenkend perspectief weten te bieden. Als we het nu eens echt anders aanpakken? Hier mijn idee:

  • Als mensen zich aanmelden, neemt de gemeente die schulden over, daar staat qua termijn maximaal vier weken voor.
  • Mensen krijgen vervolgens een maatwerktraject waarbij ze werken aan gedragsverandering, dit kan gekoppeld zijn aan de schulden maar ook aan andere levensgebieden.
  • Als beloning voor deze gedragsverandering wordt steeds een deel van de schulden kwijtgescholden.

Zou dat werken? Wat denken jullie? Reacties zijn welkom.

Vooruit kijken! Vooruit doen! Verslag van het #VNGKING jaarcongres

Waar gaat het heen met het sociaal domein? Vandaag was ik op het VNG-King congres met als titel ‘De toekomst is Nu!’. Een ochtend vol futurologen die vooral vertelde dat de toekomst niet te voorspellen valt, maar dat je wel moet blijven dromen, want anders komt er niets van de grond. Ik ga zeker het boek van Daan Quakernaat bestellen ‘Ga kathedralen bouwen’. Kijk even op zijn website, daar staat al voldoende stof tot nadenken: http://www.quakernaat.com/

Hoe moet het verder met de decentralisaties?

‘s-Middags een workshop gevolgd van Jos van der Lans en Pieter Hillhorst waarbij hun nieuwste publicatie werd uitgereikt ‘Nabij is beter II – Over het inlossen van de beloften van de decentralisaties’. Hun aanbevelingen zijn ook digitaal te lezen vanaf morgen (dus nu nog even geen link). Wat mij bij bleef is dat ook zij een pleidooi hielden om te investeren in het ontwikkelen van het leervermogen van de wijkteams (ik heb hier eerder over geblogd, zie resultaatgericht sturen). Veel voorbeelden kwamen voorbij van gemeenten die steeds integraler werken, op velerlei manieren: door mensen bij elkaar te zetten in dezelfde kamer, door bij elkaar op bezoek te gaan. Dat begint wel goed te lopen. Er is nog veel ruimte om ‘de expertise naar voren’ te organiseren. Dus niet doorverwijzen naar een specialist, maar de specialist vragen om de betrokkenen (ouders, wijkteamleden, leraren) te helpen om te gaan met de problemen van het kind.

Een onderwerp waar er maar weinig voorbeelden van waren in de zaal was het onderwerp ‘collectivisering’. Als gemeente zijn we geneigd alles per individu (‘maatwerk’, ‘eigen kracht’ ) op te pakken. Terwijl mensen bij elkaar zetten die eenzelfde problematiek hebben juist heel krachtig kan zijn. De platforms die dan ontstaan zijn niet voorspelbaar. Maar de voorbeelden die er wel zijn (Autisme-café, vereniging van pleegouders, allerlei ‘lotgenoten’ platforms) geven voldoende aanleiding om te denken dat er hier meer mogelijkheden zijn dan die we nu zien. Willen we dat als gemeente aanwakkeren, moeten we afstappen van het idee dat maatwerk per definitie individueel is. Maatwerk kan juist ook heel goed collectief.

Is Uden de toekomst van burger-/overheidsparticipatie?

Iets heel anders: het verhaal van de gemeente Uden. Samen met burgers uit de gemeente is een visie op Uden in 2020 ontwikkeld. Er is toen geen uitvoeringsprogramma gestart vanuit de gemeente – vanuit de gedachte dat de visie die er lag, vanuit de gemeenschap gestart was en dus ook door die mensen verder getrokken kon worden. Bij het aantreden van de nieuwe Raad na de verkiezingen in 2014 is met de nieuwe Raad besloten om een G1000 te organiseren om de prioriteiten voor de nieuwe bestuursperiode te stellen. Uit die twee sessies een groep van een paar honderd betrokken burgers opgestaan die nu zelf aan de slag zijn met zo’n 41 projecten, die soms wel en soms niet de betrokkenheid van de gemeente vragen. En ook daarbij botsen de ‘oude wereld’ van vergunningen en systemen met de ‘nieuwe wereld’ van sociale initiatieven. De gemeentelijke organisatie ontwikkelt zich nu ook verder: niet in hokjes, maar in het verder helpen van initiatieven. Politiek is het ook wel erg spannend: hoe verhouden Raad en college zich tot alle initiatieven? In de discussie werd verwezen naar dit filmpje van de onvolprezen Marije van den Berg: Democratisch Zuivere Koffie. 

Er is ook nog een diversiteitsagenda vermoed ik….

Intrigerend vond ik vandaag de man-vrouw verhoudingen. Bij het plenaire deel: allemaal mannelijke sprekers van boven 50. Bij de workshops ook bijna alleen maar mannen. 70% van de zaal netjes in blauw pak. En 70% van de zaal man. Terwijl 70% van de mensen die in het sociaal domein werken vrouw zijn. Hoe komt dat toch?

Nieuwe vormen van contractering in het sociaal domein geven burgers een belangrijke rol

Veranderingen in beleid betekenen ook nieuwe financiële verhoudingen in het sociaal domein. Nieuwe vormen van inkoop doen hun intrede.

Van oudsher hebben gemeenten gewerkt met twee inkoop vormen: subsidiëren (waarbij je vooral regelt dat een voorziening beschikbaar is) en aanbesteden (waarbij je het beste voor je geld uit de markt probeert te halen). Afgelopen jaren kwamen daar wat creatieve vormen bij. In de ruimtelijke hoek kwamen verrassende uitkomsten door creatiever om te gaan met de eisen die vooraf worden gesteld. In plaats van gedetailleerde bestekken wordt vooraf het bedrag vastgesteld en het minimum aan resultaat dat daarvoor gerealiseerd moet worden. Partijen worden dan beoordeeld op wat ze dan bovenop dat minimum voor elkaar weten te krijgen. In de sociale hoek is er inmiddels ruime ervaring opgedaan met bestuurlijk aanbesteden, waarbij er met een grote groep partijen in dialoog tot overeenkomsten wordt gekomen.

In het themanummer ‘Maatschappelijk aanbesteden’ van ‘Tijdvoorsamen’ een handzaam overzicht van wat er op dit terrein aan het bewegen is in het sociaal domein. Volop voorbeelden van gemeenten die nieuwe manieren opzoeken om tot contracteren te komen. Nieuw hierin is dat burgers een prominente rol krijgen in het proces. Ook de dialoog met de partijen in de wijk is een essentieel onderdeel van het proces. Hieronder voor mij de belangrijkste lessen:

  • Kies een schaal waarop het te overzien is, dus buurten van maximaal 25.000 bewoners. Per buurt kan je dan afspraken maken die echt maatwerk zijn.
  • Start met het formuleren van de eisen samen met bewoners en (sociaal) ondernemers uit de wijk. Leg ze dus niet vooraf eisen op maar begin met een open dialoog.
  • Laat bewoners mee selecteren in wie wat gaat doen. En wees erop voorbereid: ze zijn vaak kritischer dan de gemeente, meer kostenbewust en spreken daarna ook de gecontracteerde partijen aan.
  • Weest bewust van de juridische regels – maar zoek daarin ook de ruimte op.
  • Neem politiek en bestuur vanaf het begin mee. Maatschappelijk aanbesteden brengt veel politieke dilemma’s met zich mee.
  • Focus op het creëren van publieke waarde. Waarde die inclusief is en democratisch gelegitimeerd.
  • Keep it simple! Teveel eisen betekent dat partijen die waarde kunnen toevoegen worden uitgesloten.
  • Als je met consortia afspraken wil maken: zorg voor een onafhankelijke partij die ze verbindt. Anders krijg je toch machtsstructuren en hiërarchie in plaats van echte samenwerking.
  • Een andere rol van de gemeente: ga ‘regileren’: organiseer het leren van en met elkaar.

Meer hierover op de website http://www.maatschappelijkaanbesteden.nl/.

Het boekje is te downloaden : www.tijdvoorsamen.nl

 

 

 

Lessen uit Lissabon ESN conferentie -2/ Samenwerken

Dit is mijn tweede blogpost over mijn deelname aan de ESN conferentie in Lissabon vorige week.

Het thema van de conferentie was samenwerking, dus veel keynotes en workshops over dit thema. De vraagstukken die veel voorbij kwamen waren in drie thema’s te onderscheiden:

  1. Hoe de samenwerking rondom ‘wicked problems’ aan te gaan zodat het effectief is en niet verlamd raakt door de grootte van het probleem (samenwerken rondom thema’s als armoede, werkloosheid, eenzaamheid; de schier onoplosbare problemen waar al decennia lang mee wordt geworsteld)
  2. Hoe de samenwerking met de private sector vorm te geven als je weet dat technologie zo snel verandert: met wie ga je het avontuur aan?
  3. Hoe de samenwerking met de burger aan te gaan zodat er écht sprake is van inbreng en waardering (dus geen cosmetische consultatie maar echt samenwerken).

Ad 1: samenwerking rondom ‘wicked problems’

De grote problemen van onze tijd vragen heel veel partners om ze op te lossen. En niet alleen heel veel partners, heel veel coördinatie op de activiteiten – je weet immers niet hoe het gaat uitpakken en iedere interventie op een onderdeeltje kan weer vervelend uitpakken op een ander deel. Dus wat te doen? Vanuit Portugal kwam het verhaal van grootschalige platforms waar op basis van gedeeld leiderschap eensgezind naar een doel wordt gewerkt. Cruciaal daarbij zijn monitoring van de effecten: juist om bij te kunnen sturen op die ongewenste effecten. De spreker gaf zelf al aan hoe lastig het is om dit echt efficiënt in te richten: voor je het weet is het vooral een ‘sprekers-platform’ en niet een ‘actie-platform’. Ik raakte niet echt overtuigd, mede omdat ik eerder het boek van Hans Vermaak heb gelezen waarin hij juist aantoonde dat kleinschalige, ‘out of the box’ oplossingen de sleutel zijn. Die kleinschaligheid zit hem in gecoördineerde aanpakken zoals de sociale wijkteams (dus op niveau van de werkers), en in bescheiden doelstellingen (kennisdeling is bijvoorbeeld een sleutel, weten wie wat doet is al winst).

Ad 2: samenwerking met de private sector

Ook hier veel uitdagingen. Technologie gaat nu zo snel, dat iedere keuze voor een bepaalde techniek vandaag, morgen al weer achterhaald kan zijn. Dus met wie werk je samen? En voor hoe lang? Daarnaast is de oude ‘one-stop-shopping’ relatie met ICT leveranciers inmiddels achterhaald: er is niemand meer die alles kan leveren. Dus je neemt allerlei diensten af bij allerlei bedrijven en vervolgens moet je het weer aan elkaar zien te knopen – en daar heb je dan ook weer andere leveranciers voor nodig! Het managen van al deze relaties is een kunst op zich geworden en wordt teveel overgelaten aan de staf afdelingen, terwijl er steeds meer inhoudelijke keuzes er in gebakken worden. Inmiddels zie je veel inhoudelijke kennis bij leveranciers maar die blijven voornamelijk in gesprek met techneuten en inkopers, en dat is jammer. Reden waarom er veel leveranciers aanwezig waren – maar ik merkte maar matige belangstelling vanuit de inhoudelijke mensen.

Ad 3: samenwerking met burgers

De meest inspirerende voorbeelden van samenwerking met burgers kwamen wel van de Belgen. Meerdere voorbeelden waarbij burgers op lokaal niveau betrokken zijn bij het stellen van prioriteiten, bij het invullen van beleid en bij het uitwerken van praktische oplossingen. Vooral dat laatste vond ik mooi: serieus nemen van je inwoners betekent dat je ook erkent dat zij eigenaar zijn van bepaalde oplossingen. Dat ze niet alleen de problemen aandragen, maar ook de oplossingen. Zoals een collega opmerkte, dat kost wel veel inzet vanuit de gemeenten om het op te starten en aan de gang te houden maar ik vond de verhouding inzet – resultaten erg bemoedigend. Ja het kost wat aan menskracht om dingen voor elkaar te krijgen – maar dan heb je ook wat :-).

Ook het denken over #privacy moet gekanteld worden

Weer eens op congres geweest! Ga al vele jaren naar http://nl.managementevents.com/events/?mainevent=39&event=232, het is wat kleinschaliger (circa 150 deelnemers) waardoor je meer in staat bent om op een zinvolle manier te netwerken.

Waar ga ik mee naar huis? Wat mij zijn bijgebleven zijn twee centrale thema’s:

  1. De wendbare overheid: een keur aan sprekers en veel van het gesprek tussendoor ging over hoe je vanuit de systeemwereld waarin je vast zit in de leefwereld van inwoners kunt gaan werken als overheid. Wat betekent dat voor je organisatie? Wat doe je dan daadwerkelijk anders? Wat is de mindset waarmee je vraagstukken benadert? Hoe bereik je die mindset eigenlijk? Waar schuurt het?
  2. Het privacy vraagstuk: aan de ene kant is het beschermen van persoonlijke gegevens van groot belang en mag je nooit zomaar gegevens uitwisselen. Aan de andere kant belet de privacy wetgeving beleidsdoelstellingen: het is feitelijk onmogelijk voor de wijkteams om binnen het wettelijk kader te werken op dit terrein. Hoe gaan we als gemeenten om met deze spanning?

Die beide thema’s overpeinzend kwam ik tot een stevig gesprek met de vice-voorzitter van het https://cbpweb.nl/ (College Bescherming Persoonsgegevens). Want eigenlijk zou het CBP overbodig moeten zijn. Iedere toezichthouder streeft ernaar om overbodig te worden: uiteindelijk moet het systeem zo werken, dat toezicht van buiten niet meer nodig is. Hoe zou het CBP overbodig moeten worden? Door uit het systeemwereld te stappen en naar de leefwereld te gaan.

Wat is de logica van de leefwereld? Iedere burger in Nederland zou eigenaar moeten zijn van zijn/haar gegevens. Eigenaarschap betekent dat hij/zij ze zelf opslaat en beheert, en soms tijdelijk ter beschikking stelt aan anderen. Dus als je medische hulp nodig hebt, stel je je medische gegevens beschikbaar. Behandeling klaar, gegevens weg. Er is dan geen enkele ziekenhuis die je medische gegevens bewaart, want dat doe je zelf. Gaan je kinderen naar school? Jij bewaart hun leerprestaties (die worden door de school ingevuld, maar jij bewaart ze) en als ze naar een andere school gaan, stel je ze ter beschikking van de nieuwe school. Scholen bewaren dus zelf niets. Alleen dat ze toegang hebben tot jouw gegevens. Als je begeleiding nodig hebt of huishoudelijke hulp van de gemeente: je stelt tijdelijk de gegevens open die nodig zijn, daarna zet je het weer dicht. De gemeente bewaart dan geen gegevens van jou. Dat doe je zelf namelijk.

Dan richten we de systeemwereld in zodat het aansluit bij de leefwereld van mensen (dag 1 van het congres) en zijn we af van de discussie over wie welke gegevens mag bewaren of uitwisselen (dag 2 van het congres).

Een goede vriend van mij had daar een mooi idee over, het filmpje ervan is de moeite waard om in dit verband te bekijken: http://www.memocom.org/nl

En hoe het gesprek ging met het CBP? Die blijven in hun systeemwereld. Ze handhaven de wet. Want daar zijn ze van. Erg jammer. Ik had zo gehoopt dat ze ook het systeem willen veranderen.

#Democratie in de #regio: het kan!

In VNG magazine een interview met David Reybrouck gelezen – een van de vele van de laatste tijd. Ik vind zijn stelling dat we met onze huidige vorm van democratie nou juist niet vertegenwoordigend werken ook heel goed te verdedigen. Reybrouck zet daar een vorm van loting tegenover: laten we loten wie gaat besturen, dan krijg je een betere afspiegeling van het volk dat vertegenwoordigt wordt. En ook: betere besluitvorming. Want de mensen die geloot worden, blijven maar één termijn en maken zich niet druk om verkiezingen. Daardoor blijft het algemeen belang beter in het vizier en wordt korte termijn electoraal gewin buiten de deur gehouden. Ik vind het een bijzonder aantrekkelijk idee. Wel zou ik het op andere plekken willen toepassen dan daar waar er nu experimenten mee worden gedaan.

De huidige experimenten met loting zijn allemaal in of rondom processen waarin er al sprake is van een enorm democratisch circus: verkiezingen! De Nederlandse experimenten in Amersfoort en Uden bijvoorbeeld waren opgezet om de net verkozen gemeenteraden en daaruit gevormde colleges te voorzien van een agenda voor de bestuursperiode. Zo’n agenda heeft in al het politiek geweld om die raden en besturen heen natuurlijk geen schijn van kans. Ik was daar al bang voor, zie mijn eerdere blog hierover https://angelawerkt.wordpress.com/2014/04/20/democratie-vernieuwen-doe-je-niet-in-een-dag-maar-amersfoort-gaf-wel-een-mooi-signaal-af/. Het ontbrak in deze initiatieven namelijk ook om uitvoeringsmacht: het blijft dan bij mooie ideeën, en dat is natuurlijk wel heel erg jammer.

Waar zou zoiets wel kunnen slagen? Dan zouden we het moeten uitproberen in een gebied waar er een groot tekort is aan democratische legitimiteit. Laat daar nou ook dezelfde VNG magazine vol van staan: de toegenomen regionale samenwerking tussen gemeenten. Alle gemeenten werken samen op terreinen als veiligheid, milieu, werk en economie, zorgtaken, en nog veel meer. Als we nou dáár eens iets van de ideeën van Reybrouck zouden gaan toepassen? Geen extra laag van controle door een afvaardiging van gemeenteraden (zoals in de Drechtsteden) maar een G1000 voor de regio. Die G1000 wordt samengesteld op basis van loting: burgers worden uitgeloot om eraan deel te nemen. Per thema worden die verschillend samengesteld. Dus voor werk en economie 1/3 uitkeringsgerechtigden, 1/3 bedrijven en 1/3 onderwijs en gemeente ambtenaren. Voor de zorgtaken 1/3 cliëntenraden en ambtenaren, 1/3 zorgontvangers en 1/3 mantelzorgers. Zoiets. En dan netjes verdeeld over de regio.

En die regio-G1000 dan daadwerkelijk iets te zeggen geven. Dus dat ze bijvoorbeeld alle beleid moeten ontwikkelen (niet alleen een klap er op geven als alle ambtenaren er klaar mee zijn). Ik weet dat formeel alle gemeenteraden dat dan ook nog moeten doen, maar als we nou aan de voorkant afspreken dat beleid dat langs dit proces wordt ontwikkeld, per definitie door de colleges wordt aangenomen, dan is het een gemeenteraad met heel veel lef dat het daarna nog durft af te schieten. Immers, hun eigen achterban heeft het product vormgegeven.

Ik ga eens kijken hoe ver ik met dit ideetje kom. Wordt vervolgd!

 

Bewoners #wantrouwen de #overheid die ze zelfsturend wil laten zijn

Mag ik jullie allemaal attenderen op de geweldige site van www.socialevraagstukken.nl. Een plek waarin er ruimte is voor nuance als het gaat om de herinrichting van het sociaal domein. Een plek waar er ruimte is voor debat: de voors en tegens komen ruimschoots aan bod. Een plek waar er op een publieksvriendelijke manier over wetenschappelijk onderzoek wordt geschreven. Kortom, ik ben fan.

Lees vooral dit laatste artikel over de moeizame relatie tussen overheid en de wens tot zelfsturende burgers met de geweldige kop “Bewoners wantrouwen overheid die ze de regie wil geven”. http://www.socialevraagstukken.nl/site/2015/04/22/professionele-drukte-en-argwanende-bewoners-vereisen-ruimte-om-te-leren/.

Ik moest gelijk denken aan wat ik vaak hoor van burgerinitiatieven over hun ontstaansredenen. Waarom zijn ze ooit begonnen? Vanwege een gebrek aan vertrouwen in de overheid om iets op te lossen…..

Wat staat er eigenlijk in het rapport van de @Kinderombudsman waar iedereen het over heeft?

De Kinderombudsman heeft zijn eerste rapport over de toegang tot de jeugdzorg uitgebracht, dat kan niemand ontgaan zijn want de media stond er vol van. Koppen als ‘De toegang tot jeugdzorg is niet goed geregeld’ en ‘Kinderombudsman kritisch na decentralisatie’ kwamen voorbij. Nu kijkt de Kinderombudsman naar de decentralisaties vanuit het perspectief van het kind, dus dat vind ik altijd de moeite waard. Het rapport dus gelezen (het is 55 kantjes en hier te downloaden: http://www.dekinderombudsman.nl/ul/cms/fck-uploaded/2015.KOM008%20Dezorgwaarzerechtophebben-deelrapport1-17april2015.pdf)

Eerst over de opzet van het onderzoek. Voor het kwantitatieve deel hadden de onderzoekers graag de jeugdigen in een gemeente per regio (dus 42 gemeenten) willen benaderen. Om allerlei redenen is dat maar 15 geworden. Binnen die 15 gemeenten zijn er 4.000 brieven uitgezet, en er kwamen maar 341 terug met een antwoord, grofweg 2/3 door ouders ingevuld en 1/3 door kinderen. Dit aantal is op het randje wat representativiteit betreft en de lage respons maakt ook dat er gerede twijfel mag zijn bij de opzet van het onderzoek. Voor het kwalitatieve deel is er in 5 gemeenten met 38 mensen gesprekken gevoerd, waarbij er 6 gesprekken zijn gevoerd met mensen die daadwerkelijk in de toegang tot jeugdzorg actief zijn. Ook hier geldt dat dit niet een basis is om een oordeel te vellen over hoe het hele veld werkt.

Uit het cijfermatige deel (hoe gebrekkig ook) komt het beeld naar voren van een zeer geslaagde transitie: continuïteit van hulp is gerealiseerd, mensen hebben geen negatieve ervaringen bij de transitie gehad. Ze zijn even tevreden over de hulp (7,4 gemiddeld) voor als na 1 januari 2015. Wat ik opvallend vond is dat de helft van de respondenten niet weet waar ze terecht moeten als ze opnieuw om hulp moeten vragen. Dit komt overeen met de gesprekken die ik afgelopen weken heb gevoerd met inwoners die hulp krijgen: zowel de ingang als de weg binnen het systeem zelf zijn niet transparant. Je weet niet waar je moet zijn, en als je dan wel ergens aankomt, weet je niet wat er aan mogelijke vervolg is. Zo is het aanbod van alle instellingen verre van helder en nergens overzichtelijk te vinden.

Uit het kwalitatieve deel ontstaat ook een herkenbaar beeld: de nieuwe toegang is nog niet bij iedereen bekend (dat is ook niet te verwachten als je ziet met wat voor een tempo dit voorbereid moest worden!). Maar belangrijk is wel: “Wijkteams zijn zich bewust van dit risico en de coördinator van één wijkteam gaf aan dat de afspraak onderling is: “als er een kastje naar de muur gevoel ontstaat, direct escaleren””. Dat zie ik ook in mijn eigen gemeente gebeuren: het gaat soms met kunst en vliegwerk, maar we komen er wel aan uit met elkaar.

De wijkteams zijn nog niet helemaal op orde, constateren de onderzoekers. Ze zijn zich er ook van bewust en werken er hard aan om op orde te komen. De nieuwe manier van werken waarbij er naar de gezinssituatie als geheel wordt gekeken wordt als zeer positief ervaren, al zijn er zorgen bij de specialisten dat er onvoldoende kennis aanwezig is (ik denk dan altijd, ja, daar hebben we juist specialisten voor!). De eerste spanning tussen het belang van het individu in een gezin en het gezin als geheel begint zich ook af te tekenen. De werkdruk is hoog bij de wijkteams, alle systemen zijn nog niet op orde en naast nieuwe instroom moet dit jaar ook iedereen worden gesproken die verlenging van hulp wil. Er is zorg over de kennis en expertise wat jeugdhulp betreft: is het in iedere wijkteam wel voldoende aanwezig? Die vraag blijft in het onderzoek hangen, het zou goed zijn als een vervolg onderzoek hier beter aandacht aan zou besteden.

Een andere interessante constatering is dat er (net als voor de transitie) weinig zicht is op de effectiviteit en kwaliteit van jeugdhulp. Gemeenten willen hier terecht de komende jaren meer op inzetten en inkoop organiseren op basis van behaalde resultaten (in plaats van op basis van ingezette trajecten zoals dat door het Rijk en Provincie is gedaan).

Geheel buiten het onderzoek om maar een terechte opmerking van de Kinderombudsman is dat de hele decentralisatie een experiment is. Er is nergens een proef gedraaid voordat het werd ingevoerd, de veronderstellingen onder de decentralisatie zijn nergens getoetst op waarheid. Vandaar ook zijn dringende pleidooi om heel, heel alert te blijven met z’n allen. Want het zijn wel kinderlevens waarmee geëxperimenteerd wordt. Dat we dat wel blijven beseffen.

Wetenschap versus praktijk: de rol van de overheid

Afgelopen week een interessante bespiegelingen gehoord over de veranderende rol van de overheid, en die nieuwe rol van de overheid ook in de praktijk gezien bij het bezoek aan een reeds lang bestaande burgerinitiatief, namelijk de Voedselbank.

Het wordt allemaal nog veel ingewikkelder

Decaan Martijn van der Steen van het NSOB kwam langs om iets over de veranderende rollen van de overheid te vertellen. Het wordt helaas voor ons allen ambtenaren alleen maar ingewikkelder. De ene keer is de klassieke beleidsontwerp nodig, andere momenten prestatiesturing zoals we die uit New Public Management kennen, dan weer is er coproductie met andere partijen (de Publiek-Private-Samenwerking), en op andere momenten is de rol van de overheid faciliterend in het stimuleren van sociaal ondernemerschap. En wat wanneer nu nodig is, is nog niet altijd even duidelijk. Het een komt niet in plaats van de ander, maar er naast. Iedere rol vraagt iets anders van zowel overheid als samenwerkende partijen. En als dat allemaal naast elkaar bestaat roept dat heel veel spanning op: bij burgers en bedrijven omdat de overheid niet meer rolvast is, bij de overheid omdat ze steeds van rol moet wisselen. Meer over deze gedachten is hier te lezen: http://www.nsob.nl/2014/08/leren-door-doen-overheidsparticipatie-in-een-energieke-samenleving/

De praktijk? Die is minder ingewikkeld

En dan ben ik bij mijn wekelijkse praktijkbezoek bij de Voedselbank langs geweest. Een vergeten burgerinitiatief – ze bestonden al lang voordat er een bibliotheek werd gestart door burgers in Rotterdam West. Hebben die nu last van een teveel aan regelgeving van de overheid? Welnee. Ze zijn hard bezig de HACCP normen te behalen in al hun vestigingen, omdat ze hiermee de voedsel veiligheid beter kunnen garanderen – en dat betekent ook meer kans op donaties. En hun verhouding met de overheid? Die is ook een mengvorm. Ze worden gefaciliteerd als het gaat om locaties en in de verhouding met de buurt (niet iedereen zit te wachten op honderden bezoekers die wekelijks een pakket komen halen). Daarin zie je de rol van faciliterende overheid. Maar ze krijgen ook een kleine subsidie van de overheid, en daarin worden afspraken over aantallen gemaakt die via kwartaalgesprekken worden gemonitored. Daarin is er weer sprake van de presterende overheid. En eigenlijk vindt iedereen dat volkomen normaal.

Wat weer een stukje relativeert van de probleemstellingen van de hoogleraar 🙂

‘Eigen Kracht’ was ooit synoniem met ‘Regie op je leven’ – maar nu betekent het iets heel anders

In januari was ik bij het congres van KING (Kwaliteits Instituut Nederlandse Gemeenten) en hoewel ik na afloop besloot dat ik het een beetje gehad heb met massale oplopen heb ik er wel een mooi boekje aan overgehouden.

In ‘Nabij is beter’ schrijven Pieter Hilhorst en Jos van der Lans drie essays over de decentralisaties. De eerste essay heeft de veelzeggende titel ‘Eigen kracht ontkracht’. Het begrip ‘eigen kracht’ staat centraal in de participatiesamenleving. “Als de overheid minder gaat doen, moeten mensen meer zelf gaan doen.” Maar waarom moeten mensen dat eigenlijk? Die verplichte vrijwilligheid is nu precies waar alle mantelzorgers zich druk om maken: ze doen al zoveel, en nu zegt de overheid dat ze meer moeten gaan doen? Hoezo?

Het begrip ‘eigen kracht’ heeft een bijzondere reis afgelegd de afgelopen jaren, en daar is de verwarring wellicht ontstaan. ‘Eigen kracht’ is inmiddels volledig ver-bureaucratiseerd. Het staat op de check-list bij de intake tijdens de keukentafelgesprekken om de hulpvraag duidelijk te krijgen. Eigen kracht wordt door de gemeente gezien als een ‘voorliggende voorziening’: als er een familielid in de buurt is die helpt, dan hoeft de overheid dat niet te doen. Daarbij is het een instrument geworden van de verstrekkingen logica, terwijl het ontstaan is uit een hele andere burger logica.

Hilhorst en vd Lans schetsen hoe Nederland enkele jaren terug in de ban raakte van de ‘Eigen Kracht Conferenties’. Daarbij wordt met behulp van de eigen netwerk van burgers en onder eigen regie een eind gemaakt aan de enorme hoeveelheid hulpverleners bij multi-problem gezinnen. Kern van de methodiek is dat de burger zelf de regie pakt, ondersteund door professionele hulp en met behulp van zijn eigen netwerk. Regie is hier een sleutelbegrip: burgers kunnen zelf de afweging maken wat er eerst wordt aangepakt en door wie en hoe het een blijvend effect krijgt – daar is dat netwerk weer zo belangrijk voor. Het leidt dus niet automatisch tot minder hulpverlening, naar wel effectiever (en daardoor goedkoper) hulpverlening. Het succes van de methodiek is gelegen in die regie: burgers zijn eigenaar van hun eigen plan van aanpak.

Samengevat: “eigen kracht is geen in te vullen hokje op een intakeformulier. Het is een ander besluitvormingsmodel. Het primaat ligt bij de burger. Het sociale netwerk is geen hulpbron die de gemeente kan ontlasten, maar die de positie van de burger sterker maakt.”(p17)

Ook de andere twee essays zijn zeer de moeite waard. Tip: skip de voor- en nawoorden in het boekje, want die voegen weinig toe. Op de site van KING is alleen een powerpoint over de essays te downloaden, maar op de site van Jos van der Lans staat het boekje in pdf. http://www.josvdlans.nl/journalist/artikelen.asp