Hoe kan het WEL: inspirerende verandervoorbeelden bij #VNGRealisatiecongres

Vandaag een workshop bijgewoond waar ik blij van werd! Drie gemeenten gingen in gesprek met de zaal over de wijze waarop zij organisatie verandering hadden ingezet als onderdeel van democratische vernieuwing. Hoewel de aanpak van Venlo, Nijkerk en de BAR-gemeenten enorm verschilde konden we wel een aantal lessen eruit destilleren.

  1. Vernieuwing van de werkwijze van gemeenteraad, bestuur en organisatie gaan samen op. Je kunt het een niet zonder het ander. Als de ambtenaren anders gaan werken met de burgers in de stad heeft dat altijd implicaties voor de rol en positie van de raad en het college. Andersom geldt dat ook: als de raad een andere werkwijze en verhouding tot de stad inneemt, heeft dat altijd gevolgen voor de ambtelijke organisatie. Reden dus om ze parallel te ontwikkelen en onderweg te zorgen voor kruisbestuiving, zodat je samen wel dezelfde kant uitgaat.

 

  1. Veranderen is leuk! Maar we maken het vaak zwaar en ingewikkeld. Veranderen en vernieuwen zijn feesten, de wereld wordt er beter van. Laten we het proces dan ook feestelijk en licht maken! En klein beginnen, dat vooral. Dus geen grootse blauwdrukken, maar beginnen bij het begin: wat gaat er wel en niet goed in de interactie tussen gemeente en burger. Hoe kan je méér dan van wat helpt, in plaats van wat hoort? Dat ontdek je alleen door diep in casuïstiek te duiken. Waar zijn mensen bang voor? Welke onzekerheden zitten achter ‘maar dat doen we altijd zo’ antwoorden? En heel praktisch: begin ieder werkoverleg met een casus. En ieder werkoverleg is dus overal: ook op MT-niveau dus. Ook in de stafdiensten. Wat was de vraag van de burger en waarom lukte het wel of niet om daar een passend antwoord op te geven? En vooral: waarderen, waarderen, waarderen. In iedere organisatie zit namelijk een lange geheugen van teleurstelling. Die neem je niet weg met een toevallig complimentje. Wel met jarenlang aandacht en waardering voor wat er goed gaat en rustige reflectie op wat er fout gaat, om er van te leren.

 

  1. Expertise uit de backoffice heeft meer waarde aan de voorkant. Stafdiensten zijn heel ver weg van de praktijk georganiseerd. Die zien eigenlijk nooit het resultaat van hun handelen. Terwijl er wel veel kennis en expertise aanwezig is, die ook in de front-linie te gebruiken is. Ieder wijkteam zou bijvoorbeeld een eigen aanspreekpunt binnen financiën kunnen krijgen, die met ze meedenkt hoe ze het beste uit kunnen komen met hun budget. En die ook bij casuïstiek meedenkt over passende financiële oplossingen. Daarmee zet je de deskundigheid van de backoffice weer vooraan, waar het hoort. Ook hier: niet groot beginnen. Start met een of twee werkprocessen en kijk aan de hand van casuïstiek waar je wat extra kennis kunt gebruiken om het voor de burger op te lossen.

 

  1. Regelruimte is er altijd. Wie maakt al die regels? Dat zijn wij zelf. We kunnen ze dus ook zelf veranderen. Andersom: in regels zit ook een bepaalde wijsheid. De geest van de wet is belangrijker dan de letter. Handelen in de geest van de wet is altijd OK. Dan ben je weer terug bij de bedoeling, van het ‘waarom’ van een regel in plaats van het blind toepassen. Nog een goede leidraad als het over regeldrift gaat: als je niet aan een burger kunt uitleggen waarom je iets controleert, dan is het niet nodig. Geldt door de hele organisatie heen. Ik kijk nu al uit naar het gesprek hierover met de accountant :-).

Wat helpt niet? Daar hebben we het ook over gehad.

  1. Structuur-veranderingen helpen niet, want dan gaat alle energie in de structuur-hark zitten en niet in de relatie met de burger. Mensen worden er ook onzeker van en zullen dan nog véél meer gaan doen wat hoort. En niet wat helpt.
  2. Experimenten politiek maken helpt ook niet. Je moet onder de radar dingen kunnen uitproberen. Bij successen wel melden, want daar kan de wethouder mee scoren.
  3. Collectieve trajecten voor medewerkers: als je meer maatwerk wilt in de interactie met burgers, zal je meer maatwerk moeten zoeken in de ontwikkeling van medewerkers. Dus geen verplichte trainingen, wel open gesprekken over ontwikkeling en hoe die gefaciliteerd kan worden.
  4. Haast: Het duurt 3-4 jaar om dit goed te doen. En dan nog ben je niet klaar.

 

Vooruit kijken! Vooruit doen! Verslag van het #VNGKING jaarcongres

Waar gaat het heen met het sociaal domein? Vandaag was ik op het VNG-King congres met als titel ‘De toekomst is Nu!’. Een ochtend vol futurologen die vooral vertelde dat de toekomst niet te voorspellen valt, maar dat je wel moet blijven dromen, want anders komt er niets van de grond. Ik ga zeker het boek van Daan Quakernaat bestellen ‘Ga kathedralen bouwen’. Kijk even op zijn website, daar staat al voldoende stof tot nadenken: http://www.quakernaat.com/

Hoe moet het verder met de decentralisaties?

‘s-Middags een workshop gevolgd van Jos van der Lans en Pieter Hillhorst waarbij hun nieuwste publicatie werd uitgereikt ‘Nabij is beter II – Over het inlossen van de beloften van de decentralisaties’. Hun aanbevelingen zijn ook digitaal te lezen vanaf morgen (dus nu nog even geen link). Wat mij bij bleef is dat ook zij een pleidooi hielden om te investeren in het ontwikkelen van het leervermogen van de wijkteams (ik heb hier eerder over geblogd, zie resultaatgericht sturen). Veel voorbeelden kwamen voorbij van gemeenten die steeds integraler werken, op velerlei manieren: door mensen bij elkaar te zetten in dezelfde kamer, door bij elkaar op bezoek te gaan. Dat begint wel goed te lopen. Er is nog veel ruimte om ‘de expertise naar voren’ te organiseren. Dus niet doorverwijzen naar een specialist, maar de specialist vragen om de betrokkenen (ouders, wijkteamleden, leraren) te helpen om te gaan met de problemen van het kind.

Een onderwerp waar er maar weinig voorbeelden van waren in de zaal was het onderwerp ‘collectivisering’. Als gemeente zijn we geneigd alles per individu (‘maatwerk’, ‘eigen kracht’ ) op te pakken. Terwijl mensen bij elkaar zetten die eenzelfde problematiek hebben juist heel krachtig kan zijn. De platforms die dan ontstaan zijn niet voorspelbaar. Maar de voorbeelden die er wel zijn (Autisme-café, vereniging van pleegouders, allerlei ‘lotgenoten’ platforms) geven voldoende aanleiding om te denken dat er hier meer mogelijkheden zijn dan die we nu zien. Willen we dat als gemeente aanwakkeren, moeten we afstappen van het idee dat maatwerk per definitie individueel is. Maatwerk kan juist ook heel goed collectief.

Is Uden de toekomst van burger-/overheidsparticipatie?

Iets heel anders: het verhaal van de gemeente Uden. Samen met burgers uit de gemeente is een visie op Uden in 2020 ontwikkeld. Er is toen geen uitvoeringsprogramma gestart vanuit de gemeente – vanuit de gedachte dat de visie die er lag, vanuit de gemeenschap gestart was en dus ook door die mensen verder getrokken kon worden. Bij het aantreden van de nieuwe Raad na de verkiezingen in 2014 is met de nieuwe Raad besloten om een G1000 te organiseren om de prioriteiten voor de nieuwe bestuursperiode te stellen. Uit die twee sessies een groep van een paar honderd betrokken burgers opgestaan die nu zelf aan de slag zijn met zo’n 41 projecten, die soms wel en soms niet de betrokkenheid van de gemeente vragen. En ook daarbij botsen de ‘oude wereld’ van vergunningen en systemen met de ‘nieuwe wereld’ van sociale initiatieven. De gemeentelijke organisatie ontwikkelt zich nu ook verder: niet in hokjes, maar in het verder helpen van initiatieven. Politiek is het ook wel erg spannend: hoe verhouden Raad en college zich tot alle initiatieven? In de discussie werd verwezen naar dit filmpje van de onvolprezen Marije van den Berg: Democratisch Zuivere Koffie. 

Er is ook nog een diversiteitsagenda vermoed ik….

Intrigerend vond ik vandaag de man-vrouw verhoudingen. Bij het plenaire deel: allemaal mannelijke sprekers van boven 50. Bij de workshops ook bijna alleen maar mannen. 70% van de zaal netjes in blauw pak. En 70% van de zaal man. Terwijl 70% van de mensen die in het sociaal domein werken vrouw zijn. Hoe komt dat toch?

Lessen uit Lissabon ESN conferentie -2/ Samenwerken

Dit is mijn tweede blogpost over mijn deelname aan de ESN conferentie in Lissabon vorige week.

Het thema van de conferentie was samenwerking, dus veel keynotes en workshops over dit thema. De vraagstukken die veel voorbij kwamen waren in drie thema’s te onderscheiden:

  1. Hoe de samenwerking rondom ‘wicked problems’ aan te gaan zodat het effectief is en niet verlamd raakt door de grootte van het probleem (samenwerken rondom thema’s als armoede, werkloosheid, eenzaamheid; de schier onoplosbare problemen waar al decennia lang mee wordt geworsteld)
  2. Hoe de samenwerking met de private sector vorm te geven als je weet dat technologie zo snel verandert: met wie ga je het avontuur aan?
  3. Hoe de samenwerking met de burger aan te gaan zodat er écht sprake is van inbreng en waardering (dus geen cosmetische consultatie maar echt samenwerken).

Ad 1: samenwerking rondom ‘wicked problems’

De grote problemen van onze tijd vragen heel veel partners om ze op te lossen. En niet alleen heel veel partners, heel veel coördinatie op de activiteiten – je weet immers niet hoe het gaat uitpakken en iedere interventie op een onderdeeltje kan weer vervelend uitpakken op een ander deel. Dus wat te doen? Vanuit Portugal kwam het verhaal van grootschalige platforms waar op basis van gedeeld leiderschap eensgezind naar een doel wordt gewerkt. Cruciaal daarbij zijn monitoring van de effecten: juist om bij te kunnen sturen op die ongewenste effecten. De spreker gaf zelf al aan hoe lastig het is om dit echt efficiënt in te richten: voor je het weet is het vooral een ‘sprekers-platform’ en niet een ‘actie-platform’. Ik raakte niet echt overtuigd, mede omdat ik eerder het boek van Hans Vermaak heb gelezen waarin hij juist aantoonde dat kleinschalige, ‘out of the box’ oplossingen de sleutel zijn. Die kleinschaligheid zit hem in gecoördineerde aanpakken zoals de sociale wijkteams (dus op niveau van de werkers), en in bescheiden doelstellingen (kennisdeling is bijvoorbeeld een sleutel, weten wie wat doet is al winst).

Ad 2: samenwerking met de private sector

Ook hier veel uitdagingen. Technologie gaat nu zo snel, dat iedere keuze voor een bepaalde techniek vandaag, morgen al weer achterhaald kan zijn. Dus met wie werk je samen? En voor hoe lang? Daarnaast is de oude ‘one-stop-shopping’ relatie met ICT leveranciers inmiddels achterhaald: er is niemand meer die alles kan leveren. Dus je neemt allerlei diensten af bij allerlei bedrijven en vervolgens moet je het weer aan elkaar zien te knopen – en daar heb je dan ook weer andere leveranciers voor nodig! Het managen van al deze relaties is een kunst op zich geworden en wordt teveel overgelaten aan de staf afdelingen, terwijl er steeds meer inhoudelijke keuzes er in gebakken worden. Inmiddels zie je veel inhoudelijke kennis bij leveranciers maar die blijven voornamelijk in gesprek met techneuten en inkopers, en dat is jammer. Reden waarom er veel leveranciers aanwezig waren – maar ik merkte maar matige belangstelling vanuit de inhoudelijke mensen.

Ad 3: samenwerking met burgers

De meest inspirerende voorbeelden van samenwerking met burgers kwamen wel van de Belgen. Meerdere voorbeelden waarbij burgers op lokaal niveau betrokken zijn bij het stellen van prioriteiten, bij het invullen van beleid en bij het uitwerken van praktische oplossingen. Vooral dat laatste vond ik mooi: serieus nemen van je inwoners betekent dat je ook erkent dat zij eigenaar zijn van bepaalde oplossingen. Dat ze niet alleen de problemen aandragen, maar ook de oplossingen. Zoals een collega opmerkte, dat kost wel veel inzet vanuit de gemeenten om het op te starten en aan de gang te houden maar ik vond de verhouding inzet – resultaten erg bemoedigend. Ja het kost wat aan menskracht om dingen voor elkaar te krijgen – maar dan heb je ook wat :-).

#Democratie in de #regio: het kan!

In VNG magazine een interview met David Reybrouck gelezen – een van de vele van de laatste tijd. Ik vind zijn stelling dat we met onze huidige vorm van democratie nou juist niet vertegenwoordigend werken ook heel goed te verdedigen. Reybrouck zet daar een vorm van loting tegenover: laten we loten wie gaat besturen, dan krijg je een betere afspiegeling van het volk dat vertegenwoordigt wordt. En ook: betere besluitvorming. Want de mensen die geloot worden, blijven maar één termijn en maken zich niet druk om verkiezingen. Daardoor blijft het algemeen belang beter in het vizier en wordt korte termijn electoraal gewin buiten de deur gehouden. Ik vind het een bijzonder aantrekkelijk idee. Wel zou ik het op andere plekken willen toepassen dan daar waar er nu experimenten mee worden gedaan.

De huidige experimenten met loting zijn allemaal in of rondom processen waarin er al sprake is van een enorm democratisch circus: verkiezingen! De Nederlandse experimenten in Amersfoort en Uden bijvoorbeeld waren opgezet om de net verkozen gemeenteraden en daaruit gevormde colleges te voorzien van een agenda voor de bestuursperiode. Zo’n agenda heeft in al het politiek geweld om die raden en besturen heen natuurlijk geen schijn van kans. Ik was daar al bang voor, zie mijn eerdere blog hierover https://angelawerkt.wordpress.com/2014/04/20/democratie-vernieuwen-doe-je-niet-in-een-dag-maar-amersfoort-gaf-wel-een-mooi-signaal-af/. Het ontbrak in deze initiatieven namelijk ook om uitvoeringsmacht: het blijft dan bij mooie ideeën, en dat is natuurlijk wel heel erg jammer.

Waar zou zoiets wel kunnen slagen? Dan zouden we het moeten uitproberen in een gebied waar er een groot tekort is aan democratische legitimiteit. Laat daar nou ook dezelfde VNG magazine vol van staan: de toegenomen regionale samenwerking tussen gemeenten. Alle gemeenten werken samen op terreinen als veiligheid, milieu, werk en economie, zorgtaken, en nog veel meer. Als we nou dáár eens iets van de ideeën van Reybrouck zouden gaan toepassen? Geen extra laag van controle door een afvaardiging van gemeenteraden (zoals in de Drechtsteden) maar een G1000 voor de regio. Die G1000 wordt samengesteld op basis van loting: burgers worden uitgeloot om eraan deel te nemen. Per thema worden die verschillend samengesteld. Dus voor werk en economie 1/3 uitkeringsgerechtigden, 1/3 bedrijven en 1/3 onderwijs en gemeente ambtenaren. Voor de zorgtaken 1/3 cliëntenraden en ambtenaren, 1/3 zorgontvangers en 1/3 mantelzorgers. Zoiets. En dan netjes verdeeld over de regio.

En die regio-G1000 dan daadwerkelijk iets te zeggen geven. Dus dat ze bijvoorbeeld alle beleid moeten ontwikkelen (niet alleen een klap er op geven als alle ambtenaren er klaar mee zijn). Ik weet dat formeel alle gemeenteraden dat dan ook nog moeten doen, maar als we nou aan de voorkant afspreken dat beleid dat langs dit proces wordt ontwikkeld, per definitie door de colleges wordt aangenomen, dan is het een gemeenteraad met heel veel lef dat het daarna nog durft af te schieten. Immers, hun eigen achterban heeft het product vormgegeven.

Ik ga eens kijken hoe ver ik met dit ideetje kom. Wordt vervolgd!