Wie let op wie? Hoe gaan we om met toezicht en control in de zorg?

In 2015 zijn er taken in het sociaal domein overgeheveld naar gemeenten. Sindsdien nemen klachten toe van zorgleveranciers over eindeloze controles en administratieve lasten die almaar stijgen. Tegelijkertijd lukt het gemeenten nauwelijks om hun jaarverslagen op dit punt door accountants te laten goedkeuren. Het is dus veel erger geworden maar niet genoeg. Waar ging het mis?

Wat is ook alweer de bedoeling van al die controles in de zorg?

De burger als belastingbetaler wil waar voor zijn geld. Gemeenten moeten dus laten zien dat er zo efficiënt en effectief mogelijk wordt omgegaan met de middelen van de belastingbetaler. Daarom vragen ze accountants om te verifiëren dat de zorg waarvoor ze betalen geleverd wordt en dat de rekening hiervoor klopt. Dan kunnen ze de burger laten zien, kijk, dit hebben we met je geld gedaan.

Tot zover klinkt het logisch.  Waar gaat het dan mis?

Het gaat vooral mis bij de zorginstellingen die in meerdere regio’s werken. Iedere regio (en daarbinnen soms ook nog afzonderlijke gemeenten) definieert namelijk zijn eigen beleid en inkoop en dus wat zij zien als efficiënt en effectief. Ook de definities van geleverde zorg verschillen. Dat is een logisch gevolg van lokale en regionale keuzes. Maar het resulteert wel in een toenemende administratieve last bij zorgaanbieders.

Hoe dan wel op te lossen?

Hierover had ik onlangs een boeiend gesprek met zorgleveranciers, gemeenten en accountants.

Het probleem is namelijk nog veel groter. Vaak leveren zorgaanbieders zorg binnen verschillende wettelijke kaders (de Jeugdwet, de WMO, de WLZ, de AWBZ, de ZVW). Dus niet alleen zijn er 39 regionale verschillen, maar ook nog eens verschillende wettelijke kaders. Wat er nodig is, geven zij aan, is een gedeeld normenkader. Een normenkader is een uitdrukking van waarden: omdat we dit belangrijk vinden, is dat de norm voor deze activiteit. Zo vinden we het belangrijk dat mensen die jeugdhulp verlenen, een minimale opleiding hebben en zich regelmatig laten bijscholen. Deze waarden zijn omgezet in het normenkader voor de BIG-registratie. In het BIG register staan alle zorgverleners die volgens de wet een beschermde titel mogen dragen zoals psycholoog, verpleger, arts enzovoorts. Het beschermt patiënten tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door zorgverleners. Dit register is te raadplegen door burgers, gemeenten en andere instanties. Je hoeft dus niet een accountantsverklaring om te bevestigen dat alle personeel gekwalificeerd is. Bij twijfel kan je het gewoon zelf opzoeken. Dat is een vorm van horizontaal toezicht: vertrouwen op de werking van een systeem, waardoor er geen extra controles nodig zijn. Zo’n algemeen normenkader zou over de stelsels heen ontwikkeld moeten worden. Dan krijg je aan het eind van de rit ook één accountantsverklaring die verifieert dat het geld goed is besteed.

Maar wat doen we dan met de belangrijkste factor voor kwaliteit van zorg, de factor mens? De menselijke maat moest toch terug in de zorg? Drijven we er zo niet nog verder van af? Daar is ook een oplossing voor. Medewerkerstevredenheid is in het algemeen een goede indicator voor een gezonde organisatie die kwaliteit levert. In een goed functionerende organisatie kan de professional namelijk de zorg leveren die nodig is en krijgt hij/zij waardering van de cliënt hiervoor. Er is ruimte en er wordt resultaat bereikt. Zo niet, dan is de medewerker namelijk helemaal niet tevreden over zijn werk. Dit aspect zou centraal moeten staan in de te ontwikkelen normenkader. Maar dan wel samen afspreken hoe dit gemeten wordt, zodat een instelling dat niet ook nog eens twaalf keer moet herhalen.

En daarna één accountantsverklaring waarmee alle financiers mee uit de voeten kunnen. Hopsa. Voor op het lijstje van een van onze kersverse bewindslieden?

 

Jeugdhulp organisaties: Stop met Den Haag bestoken en zoek je lokale gesprekspartners op

Afgelopen weken kwamen er zorgelijke geluiden uit het veld van de jeugdhulp. VGN samen met GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland en VOBC stuurden een brief naar de tweede Kamer. “Betere jeugdhulp is nog ver weg” was de kop. Kort samengevat vroegen ze het kabinet om de kwaliteit van de wijkteams af te dwingen, de regionale samenwerking van gemeenten verplicht te stellen, informatievoorziening te standaardiseren, en door niet op prijs aan te besteden maar op kwaliteit.

Een deel van de zorgen erkende de staatssecretaris tijdens het debat hierover in de tweede kamer, want het zijn weeffouten van de enorme decentralisatie operatie. Zo wordt er heel hard gewerkt om informatie-voorziening te standaardiseren en om inkoop-vormen in drie modellen te gieten. Het verzoek om iets te doen aan de administratieve lasten wordt dus al opgepakt.

Voor alle andere kwesties moeten de branche-organisaties echter niet bij het kabinet zijn. Dit is het primaat van de gemeenten. Het had ze gesierd om de gemeenteraden aan te schrijven, of de 49 regionale samenwerkingsverbanden (die allemaal nog bestaan, er zijn enkele verschuivingen maar het beeld dat ze allemaal desintegreren herkent ook de VNG niet). Dus koepel-organisaties: ga het gesprek aan met uw opdrachtgever, met uw financier. Die bepaalt het grootste deel van wat u vraagt. Waarom dit anders gaat dan u verwacht zult u niet in Den Haag horen. Wel bij de raadsleden, bij de wethouders, bij de regionale samenwerkingsverbanden, bij de lokale ambtenaren die hier elke dag mee bezig zijn. We gaan graag het gesprek met jullie aan.

 

Samen kom je verder: verslag werkbezoek

Hoe gaat het nu in het echt? Ik blijf bij mijn goede voornemen om wekelijks buiten het stadhuis te komen en de praktijk in te duiken. Vaak is dat binnen de gemeente of regio, maar ik kom ook graag bij andere gemeenten om te kijken hoe ze het daar doen. Gisteren was ik op werkbezoek bij de gemeente Alphen a/d Rijn. Zij hebben daar twee opvallende oplossingen geïmplementeerd:

  • Integraal toegang: het serviceplein is de eerste ingang voor alle vragen in het sociaal domein, daarvandaan wordt de burger verder geholpen.
  • Community centra in de wijken waar er een samensmelting heeft plaatsgevonden van de hulp vanuit het oude welzijn, nieuwe WMO-taken zoals dagbesteding en begeleiding en de verplichte tegenprestatie uit de participatie-wet.

Wat viel mij zoal op tijdens de presentaties, werkbezoek en gesprek na afloop?

De gemeente stuurt zoveel mogelijk op outcome (wat is het effect), maar blijft ook kijken naar output (doen we de goede dingen), throughput (doen we de dingen goed) en de inzet van middelen (zijn we zuinig met de belastingcenten). Er is hierbij aandacht voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van risico-beheersing en control: deze blijven nodig maar zijn anders als je op outcome stuurt. Traditionele risico-beheersing en control zit vooral op output en middelen niveau, op outcome niveau is het nog onderontwikkeld. Verder zijn er ‘leertafels’ opgezet, waarbij aan de hand van casuïstiek lessen worden getrokken van hoe het beter kan.

In de community centra (TOM in de buurt) wordt door het combineren van de werkvormen een doorlopende lijn voor burgers mogelijk. Ze komen bijvoorbeeld binnen met een vraag naar dagbesteding, maar als het doel van het traject is bereikt kunnen ze door als vrijwilliger binnen of buiten het centrum of gaan aan het werk. De hulpvormen worden gegroepeerd naar de aard van de vraag van de burger: wat is je droom? De centra functioneren tevens als buurthuis en vrijwel alle doelgroepen worden door elkaar geholpen. De jongere met een verstandelijke beperking blijkt bijvoorbeeld best goed geholpen te kunnen worden door een mede-cliënt met hersenletsel. Dat soort combinaties gaan (ook voor de hulpverleners) verrassend goed. Vanuit het centrum ontstaat met hun werkwijze vanzelf burger initiatief: mensen worden aangespoord om zelf iets te gaan ondernemen, tijdens of na afloop van het doorlopen traject.

De centra werken vrijwel zonder beschikkingen, de voorzieningen zijn als ‘algemeen’ gelabeld. De burger is eigenaar van het plan van aanpak en dat vormt de afspraak die er tussen gemeente en burger wordt gemaakt. Dat levert een enorme besparing op in administratie en bureaucratie en is vermoed ik een belangrijke reden dat er geen wachtlijsten ontstaan.

En het enthousiasme van de werkers in het centrum was erg aanstekelijk! Ik kreeg er weer helemaal zin in.

Vooruit kijken! Vooruit doen! Verslag van het #VNGKING jaarcongres

Waar gaat het heen met het sociaal domein? Vandaag was ik op het VNG-King congres met als titel ‘De toekomst is Nu!’. Een ochtend vol futurologen die vooral vertelde dat de toekomst niet te voorspellen valt, maar dat je wel moet blijven dromen, want anders komt er niets van de grond. Ik ga zeker het boek van Daan Quakernaat bestellen ‘Ga kathedralen bouwen’. Kijk even op zijn website, daar staat al voldoende stof tot nadenken: http://www.quakernaat.com/

Hoe moet het verder met de decentralisaties?

‘s-Middags een workshop gevolgd van Jos van der Lans en Pieter Hillhorst waarbij hun nieuwste publicatie werd uitgereikt ‘Nabij is beter II – Over het inlossen van de beloften van de decentralisaties’. Hun aanbevelingen zijn ook digitaal te lezen vanaf morgen (dus nu nog even geen link). Wat mij bij bleef is dat ook zij een pleidooi hielden om te investeren in het ontwikkelen van het leervermogen van de wijkteams (ik heb hier eerder over geblogd, zie resultaatgericht sturen). Veel voorbeelden kwamen voorbij van gemeenten die steeds integraler werken, op velerlei manieren: door mensen bij elkaar te zetten in dezelfde kamer, door bij elkaar op bezoek te gaan. Dat begint wel goed te lopen. Er is nog veel ruimte om ‘de expertise naar voren’ te organiseren. Dus niet doorverwijzen naar een specialist, maar de specialist vragen om de betrokkenen (ouders, wijkteamleden, leraren) te helpen om te gaan met de problemen van het kind.

Een onderwerp waar er maar weinig voorbeelden van waren in de zaal was het onderwerp ‘collectivisering’. Als gemeente zijn we geneigd alles per individu (‘maatwerk’, ‘eigen kracht’ ) op te pakken. Terwijl mensen bij elkaar zetten die eenzelfde problematiek hebben juist heel krachtig kan zijn. De platforms die dan ontstaan zijn niet voorspelbaar. Maar de voorbeelden die er wel zijn (Autisme-café, vereniging van pleegouders, allerlei ‘lotgenoten’ platforms) geven voldoende aanleiding om te denken dat er hier meer mogelijkheden zijn dan die we nu zien. Willen we dat als gemeente aanwakkeren, moeten we afstappen van het idee dat maatwerk per definitie individueel is. Maatwerk kan juist ook heel goed collectief.

Is Uden de toekomst van burger-/overheidsparticipatie?

Iets heel anders: het verhaal van de gemeente Uden. Samen met burgers uit de gemeente is een visie op Uden in 2020 ontwikkeld. Er is toen geen uitvoeringsprogramma gestart vanuit de gemeente – vanuit de gedachte dat de visie die er lag, vanuit de gemeenschap gestart was en dus ook door die mensen verder getrokken kon worden. Bij het aantreden van de nieuwe Raad na de verkiezingen in 2014 is met de nieuwe Raad besloten om een G1000 te organiseren om de prioriteiten voor de nieuwe bestuursperiode te stellen. Uit die twee sessies een groep van een paar honderd betrokken burgers opgestaan die nu zelf aan de slag zijn met zo’n 41 projecten, die soms wel en soms niet de betrokkenheid van de gemeente vragen. En ook daarbij botsen de ‘oude wereld’ van vergunningen en systemen met de ‘nieuwe wereld’ van sociale initiatieven. De gemeentelijke organisatie ontwikkelt zich nu ook verder: niet in hokjes, maar in het verder helpen van initiatieven. Politiek is het ook wel erg spannend: hoe verhouden Raad en college zich tot alle initiatieven? In de discussie werd verwezen naar dit filmpje van de onvolprezen Marije van den Berg: Democratisch Zuivere Koffie. 

Er is ook nog een diversiteitsagenda vermoed ik….

Intrigerend vond ik vandaag de man-vrouw verhoudingen. Bij het plenaire deel: allemaal mannelijke sprekers van boven 50. Bij de workshops ook bijna alleen maar mannen. 70% van de zaal netjes in blauw pak. En 70% van de zaal man. Terwijl 70% van de mensen die in het sociaal domein werken vrouw zijn. Hoe komt dat toch?

Hoe in te kopen in het sociaal domein?

Hoe gaan gemeenten om met de inkoop van nieuwe taken in de WMO? Het CPB deed onderzoek en presenteerde vandaag de resultaten. Het was een boeiende seminar – vooral vanwege de Murphy’s Law gehalte. Alles wat fout kon gaan, ging fout. Er was een onduidelijke aanmeldprocedure met lange rijen, een spreker die onwel werd, de geluidsinstallatie sloeg op tilt en middenin een presentatie ging de beamer uit. Zoals gebruikelijk waren de leukste gesprekken echter achteraf bij de borrel (met lauw bier en dito bitterballen).

Marc Pomp (http://www.marcpomp.nl/Wie.html) startte met een betoog over doelmatigheid in de gezondheidszorg. Gemeenten willen graag naar vormen van populatiebekostiging, maar daar zijn wel een aantal randvoorwaarden voor nodig. Belangrijkste: je moet als gemeente je doelstellingen wel helder hebben en ook de gewenste kwaliteit goed kunnen definiëren. Anders krijg je een ‘run to the bottom’ met steeds lagere prijzen en dalende kwaliteit. Alle ins en outs en ervaringen hiermee internationaal zijn te vinden in deze publicatie: https://www.nza.nl/1048076/1048181/Research_paper_Populatiebekostiging_Panacee_hype_of_verkapt_kartel.pdf. Verplichte kost voor iedere gemeente die overweegt met deze financieringsvorm te gaan werken.

Daarna kwamen de resultaten van het CPB onderzoek langs. Er staat een keurige samenvatting in het rapport: http://www.cpb.nl/publicatie/taken-uitbesteed-maar-dan-de-gemeente-als-inkoper-binnen-het-sociaal-domein. Anders dan de titel vermoedt gaat het alleen over de nieuwe taken van de WMO. De ultrakorte conclusie? Onder tijdsdruk hebben de meeste gemeenten in regionaal verband de oude AWBZ bekostigingsvorm (product x prijs) toegepast. Ongeveer 1/3 is met andere vormen aan de slag gegaan. Het rapport is verder wel een handzaam overzicht van alle sturingsknoppen voor inkoop in het sociaal domein en wat dat betreft zeer aan te raden als naslagwerk.

Kritiek uit de zaal kwam op de economische benadering van het CPB – en zij zijn niet de enige die de hele decentralisatie als een bezuinigingsopgave zien. Het ging toch over een andere manier van met elkaar omgaan? Op uitgedaagd worden op wat je als mens wél kan, ook al zijn je mogelijkheden beperkt? Er zit een gedachtegoed achter en die raakt ver op de achtergrond met dit soort analyses.

Bij de discussie na afloop en bij de borrel heb ik lang gesproken met een vertegenwoordiger van de WMO Adviesraad voor jeugdhulp van Utrecht Zuid-Oost. Net als ik mist zij de stem van de cliënt in alle inkoop afspraken die nu gemaakt worden. Geld en technische discussies domineren het gesprek en hoewel er volop in regionaal verband wordt samengewerkt worden er geen regionale platforms ondersteund waarin de stem van de cliënt gehoord wordt. Ik ben blij dat we dit hiaat gaan vullen in onze regio (Noord Oost Brabant) wat jeugdhulp betreft in 2016, maar het is natuurlijk wel twee jaar te laat.

Er is, kortom, nog volop werk aan de winkel.

#Decentraliseren? Centraliseren is juist nodig in het sociaal domein bij gegevensuitwisseling en opleidingen

Gemeenten hebben vanaf dit jaar een hoop nieuwe taken erbij gekregen als gevolg van de nieuwe Jeugdwet en de nieuwe WMO. Vandaag sprak ik erover met enkele collega’s, zowel van gemeenten als van zorgaanbieders. Conclusie? Twee onderdelen hadden helemaal niet aan gemeenten overgelaten moeten worden.

Allereerst is verzuimd om afspraken te maken over gegevensuitwisseling. Voorheen hadden zorgaanbieders te maken met enkele zorgkantoren of een provincie, nu met 393 gemeenten. Dat heeft geresulteerd in een totaal van 145.000 productcodes in het land voor jeugdwet en wmo samen. Gegevensuitwisseling kan niet veilig gebeuren omdat de landelijke standaarden hiervoor nog niet overal werken. Facturatie van geleverde zorg is ook een drama. Gemeenten moeten kunnen vaststellen dat de zorg is geleverd aan een inwoner binnen hun gebied, en zorgaanbieders mogen geen medische gegevens verstrekken. Hoe moet een gemeente nu vaststellen dat er zorg verleend is aan een inwoner? En hoe moet de zorgaanbieder factureren? Er is nu een wetswijziging onderweg die dit gedeeltelijk repareert, maar het is symptoombestrijding. Gegevensuitwisseling zou juist op landelijk niveau gecoördineerd moeten worden om privacy van burgers te waarborgen. En om te voorkomen dat we omkomen in bureaucratie.

Het tweede grote hiaat betreft de kwalificaties van de professionals. Gemeenten hebben in 2015 overal sociale wijkteams opgezet, met generalisten die bij multi-problem gezinnen in staat zijn om meerdere problemen aan te pakken en te regisseren. De professional moet de ruimte krijgen, is het credo – hij/zij moet voldoende mandaat hebben om te doen wat er nodig is. Dat heet professioneel vertrouwen – weten dat iemand het kan en mag oplossen. Maar hoe weet de professional in de wijkteam wat hij/zij moet doen? Veelal komen ze uit een gespecialiseerde instelling, en zijn dus lang nog niet generalist. En wat is nou eigenlijk de beste manier om multi-problematiek aan te pakken? Welke methodiek past het beste bij welke situatie? Het ontbreekt (nog) aan professionele standaarden. Er is geen opleiding, er is geen methodiek. Al zijn alle medewerkers van de sociale wijkteams met de beste intenties aan de slag gegaan, een stuk van de basis is afwezig. En die basis kan niet door 393 gemeenten afzonderlijk gebouwd worden, maar moet op landelijk niveau.

 

Nieuwe vormen van contractering in het sociaal domein geven burgers een belangrijke rol

Veranderingen in beleid betekenen ook nieuwe financiële verhoudingen in het sociaal domein. Nieuwe vormen van inkoop doen hun intrede.

Van oudsher hebben gemeenten gewerkt met twee inkoop vormen: subsidiëren (waarbij je vooral regelt dat een voorziening beschikbaar is) en aanbesteden (waarbij je het beste voor je geld uit de markt probeert te halen). Afgelopen jaren kwamen daar wat creatieve vormen bij. In de ruimtelijke hoek kwamen verrassende uitkomsten door creatiever om te gaan met de eisen die vooraf worden gesteld. In plaats van gedetailleerde bestekken wordt vooraf het bedrag vastgesteld en het minimum aan resultaat dat daarvoor gerealiseerd moet worden. Partijen worden dan beoordeeld op wat ze dan bovenop dat minimum voor elkaar weten te krijgen. In de sociale hoek is er inmiddels ruime ervaring opgedaan met bestuurlijk aanbesteden, waarbij er met een grote groep partijen in dialoog tot overeenkomsten wordt gekomen.

In het themanummer ‘Maatschappelijk aanbesteden’ van ‘Tijdvoorsamen’ een handzaam overzicht van wat er op dit terrein aan het bewegen is in het sociaal domein. Volop voorbeelden van gemeenten die nieuwe manieren opzoeken om tot contracteren te komen. Nieuw hierin is dat burgers een prominente rol krijgen in het proces. Ook de dialoog met de partijen in de wijk is een essentieel onderdeel van het proces. Hieronder voor mij de belangrijkste lessen:

  • Kies een schaal waarop het te overzien is, dus buurten van maximaal 25.000 bewoners. Per buurt kan je dan afspraken maken die echt maatwerk zijn.
  • Start met het formuleren van de eisen samen met bewoners en (sociaal) ondernemers uit de wijk. Leg ze dus niet vooraf eisen op maar begin met een open dialoog.
  • Laat bewoners mee selecteren in wie wat gaat doen. En wees erop voorbereid: ze zijn vaak kritischer dan de gemeente, meer kostenbewust en spreken daarna ook de gecontracteerde partijen aan.
  • Weest bewust van de juridische regels – maar zoek daarin ook de ruimte op.
  • Neem politiek en bestuur vanaf het begin mee. Maatschappelijk aanbesteden brengt veel politieke dilemma’s met zich mee.
  • Focus op het creëren van publieke waarde. Waarde die inclusief is en democratisch gelegitimeerd.
  • Keep it simple! Teveel eisen betekent dat partijen die waarde kunnen toevoegen worden uitgesloten.
  • Als je met consortia afspraken wil maken: zorg voor een onafhankelijke partij die ze verbindt. Anders krijg je toch machtsstructuren en hiërarchie in plaats van echte samenwerking.
  • Een andere rol van de gemeente: ga ‘regileren’: organiseer het leren van en met elkaar.

Meer hierover op de website http://www.maatschappelijkaanbesteden.nl/.

Het boekje is te downloaden : www.tijdvoorsamen.nl

 

 

 

Ook het denken over #privacy moet gekanteld worden

Weer eens op congres geweest! Ga al vele jaren naar http://nl.managementevents.com/events/?mainevent=39&event=232, het is wat kleinschaliger (circa 150 deelnemers) waardoor je meer in staat bent om op een zinvolle manier te netwerken.

Waar ga ik mee naar huis? Wat mij zijn bijgebleven zijn twee centrale thema’s:

  1. De wendbare overheid: een keur aan sprekers en veel van het gesprek tussendoor ging over hoe je vanuit de systeemwereld waarin je vast zit in de leefwereld van inwoners kunt gaan werken als overheid. Wat betekent dat voor je organisatie? Wat doe je dan daadwerkelijk anders? Wat is de mindset waarmee je vraagstukken benadert? Hoe bereik je die mindset eigenlijk? Waar schuurt het?
  2. Het privacy vraagstuk: aan de ene kant is het beschermen van persoonlijke gegevens van groot belang en mag je nooit zomaar gegevens uitwisselen. Aan de andere kant belet de privacy wetgeving beleidsdoelstellingen: het is feitelijk onmogelijk voor de wijkteams om binnen het wettelijk kader te werken op dit terrein. Hoe gaan we als gemeenten om met deze spanning?

Die beide thema’s overpeinzend kwam ik tot een stevig gesprek met de vice-voorzitter van het https://cbpweb.nl/ (College Bescherming Persoonsgegevens). Want eigenlijk zou het CBP overbodig moeten zijn. Iedere toezichthouder streeft ernaar om overbodig te worden: uiteindelijk moet het systeem zo werken, dat toezicht van buiten niet meer nodig is. Hoe zou het CBP overbodig moeten worden? Door uit het systeemwereld te stappen en naar de leefwereld te gaan.

Wat is de logica van de leefwereld? Iedere burger in Nederland zou eigenaar moeten zijn van zijn/haar gegevens. Eigenaarschap betekent dat hij/zij ze zelf opslaat en beheert, en soms tijdelijk ter beschikking stelt aan anderen. Dus als je medische hulp nodig hebt, stel je je medische gegevens beschikbaar. Behandeling klaar, gegevens weg. Er is dan geen enkele ziekenhuis die je medische gegevens bewaart, want dat doe je zelf. Gaan je kinderen naar school? Jij bewaart hun leerprestaties (die worden door de school ingevuld, maar jij bewaart ze) en als ze naar een andere school gaan, stel je ze ter beschikking van de nieuwe school. Scholen bewaren dus zelf niets. Alleen dat ze toegang hebben tot jouw gegevens. Als je begeleiding nodig hebt of huishoudelijke hulp van de gemeente: je stelt tijdelijk de gegevens open die nodig zijn, daarna zet je het weer dicht. De gemeente bewaart dan geen gegevens van jou. Dat doe je zelf namelijk.

Dan richten we de systeemwereld in zodat het aansluit bij de leefwereld van mensen (dag 1 van het congres) en zijn we af van de discussie over wie welke gegevens mag bewaren of uitwisselen (dag 2 van het congres).

Een goede vriend van mij had daar een mooi idee over, het filmpje ervan is de moeite waard om in dit verband te bekijken: http://www.memocom.org/nl

En hoe het gesprek ging met het CBP? Die blijven in hun systeemwereld. Ze handhaven de wet. Want daar zijn ze van. Erg jammer. Ik had zo gehoopt dat ze ook het systeem willen veranderen.

Wat staat er eigenlijk in het rapport van de @Kinderombudsman waar iedereen het over heeft?

De Kinderombudsman heeft zijn eerste rapport over de toegang tot de jeugdzorg uitgebracht, dat kan niemand ontgaan zijn want de media stond er vol van. Koppen als ‘De toegang tot jeugdzorg is niet goed geregeld’ en ‘Kinderombudsman kritisch na decentralisatie’ kwamen voorbij. Nu kijkt de Kinderombudsman naar de decentralisaties vanuit het perspectief van het kind, dus dat vind ik altijd de moeite waard. Het rapport dus gelezen (het is 55 kantjes en hier te downloaden: http://www.dekinderombudsman.nl/ul/cms/fck-uploaded/2015.KOM008%20Dezorgwaarzerechtophebben-deelrapport1-17april2015.pdf)

Eerst over de opzet van het onderzoek. Voor het kwantitatieve deel hadden de onderzoekers graag de jeugdigen in een gemeente per regio (dus 42 gemeenten) willen benaderen. Om allerlei redenen is dat maar 15 geworden. Binnen die 15 gemeenten zijn er 4.000 brieven uitgezet, en er kwamen maar 341 terug met een antwoord, grofweg 2/3 door ouders ingevuld en 1/3 door kinderen. Dit aantal is op het randje wat representativiteit betreft en de lage respons maakt ook dat er gerede twijfel mag zijn bij de opzet van het onderzoek. Voor het kwalitatieve deel is er in 5 gemeenten met 38 mensen gesprekken gevoerd, waarbij er 6 gesprekken zijn gevoerd met mensen die daadwerkelijk in de toegang tot jeugdzorg actief zijn. Ook hier geldt dat dit niet een basis is om een oordeel te vellen over hoe het hele veld werkt.

Uit het cijfermatige deel (hoe gebrekkig ook) komt het beeld naar voren van een zeer geslaagde transitie: continuïteit van hulp is gerealiseerd, mensen hebben geen negatieve ervaringen bij de transitie gehad. Ze zijn even tevreden over de hulp (7,4 gemiddeld) voor als na 1 januari 2015. Wat ik opvallend vond is dat de helft van de respondenten niet weet waar ze terecht moeten als ze opnieuw om hulp moeten vragen. Dit komt overeen met de gesprekken die ik afgelopen weken heb gevoerd met inwoners die hulp krijgen: zowel de ingang als de weg binnen het systeem zelf zijn niet transparant. Je weet niet waar je moet zijn, en als je dan wel ergens aankomt, weet je niet wat er aan mogelijke vervolg is. Zo is het aanbod van alle instellingen verre van helder en nergens overzichtelijk te vinden.

Uit het kwalitatieve deel ontstaat ook een herkenbaar beeld: de nieuwe toegang is nog niet bij iedereen bekend (dat is ook niet te verwachten als je ziet met wat voor een tempo dit voorbereid moest worden!). Maar belangrijk is wel: “Wijkteams zijn zich bewust van dit risico en de coördinator van één wijkteam gaf aan dat de afspraak onderling is: “als er een kastje naar de muur gevoel ontstaat, direct escaleren””. Dat zie ik ook in mijn eigen gemeente gebeuren: het gaat soms met kunst en vliegwerk, maar we komen er wel aan uit met elkaar.

De wijkteams zijn nog niet helemaal op orde, constateren de onderzoekers. Ze zijn zich er ook van bewust en werken er hard aan om op orde te komen. De nieuwe manier van werken waarbij er naar de gezinssituatie als geheel wordt gekeken wordt als zeer positief ervaren, al zijn er zorgen bij de specialisten dat er onvoldoende kennis aanwezig is (ik denk dan altijd, ja, daar hebben we juist specialisten voor!). De eerste spanning tussen het belang van het individu in een gezin en het gezin als geheel begint zich ook af te tekenen. De werkdruk is hoog bij de wijkteams, alle systemen zijn nog niet op orde en naast nieuwe instroom moet dit jaar ook iedereen worden gesproken die verlenging van hulp wil. Er is zorg over de kennis en expertise wat jeugdhulp betreft: is het in iedere wijkteam wel voldoende aanwezig? Die vraag blijft in het onderzoek hangen, het zou goed zijn als een vervolg onderzoek hier beter aandacht aan zou besteden.

Een andere interessante constatering is dat er (net als voor de transitie) weinig zicht is op de effectiviteit en kwaliteit van jeugdhulp. Gemeenten willen hier terecht de komende jaren meer op inzetten en inkoop organiseren op basis van behaalde resultaten (in plaats van op basis van ingezette trajecten zoals dat door het Rijk en Provincie is gedaan).

Geheel buiten het onderzoek om maar een terechte opmerking van de Kinderombudsman is dat de hele decentralisatie een experiment is. Er is nergens een proef gedraaid voordat het werd ingevoerd, de veronderstellingen onder de decentralisatie zijn nergens getoetst op waarheid. Vandaar ook zijn dringende pleidooi om heel, heel alert te blijven met z’n allen. Want het zijn wel kinderlevens waarmee geëxperimenteerd wordt. Dat we dat wel blijven beseffen.

Hoe ga je om met crisis in het sociaal domein?

Crisis is onvermijdelijk

Hoogleraar Ira Helsloot (http://www.ru.nl/bestuurskunde/koppeling/helsloot/) ben ik tegengekomen bij een sessie over omgaan met crisis in het sociaal domein – hoe ga je als gemeente om met de voorbeelden als het Maas meisje, of Savanna? Het zijn vreselijke drama’s, en helaas – voor een deel onvermijdelijk: de samenleving is minder maakbaar dan je zou wensen bij dit soort situaties.

De eerste reflex bij zo’n tragedie is vaak om de schuldige te zoeken (wie is hiervoor verantwoordelijk?), gevolgd door maatregelen om ervoor te zorgen dat het nooit meer kan gebeuren. Vanzelfsprekend wordt de overheid verantwoordelijk gesteld, en die moet maatregelen nemen. Dit heeft geleid tot volkomen absurde maatregelen die iedereen die iets doet in de zorg zal herkennen. Doorgedraaide verantwoordingseisen, gedetailleerde regelgeving, protocollen en registers….

Er is ook een andere manier van reageren. Wie is er voor zo’n vreselijke ramp verantwoordelijk? De dader natuurlijk, en niemand anders. De rol van de lokale overheid is op dit soort momenten niet om schuldigen aan te wijzen of stoer te doen, maar om troost te bieden, empathie te tonen en ervoor te zorgen dat er een uitlaatklep is voor de menselijke emoties die een dergelijke ramp oproept. En daarna in alle rust gaan kijken of er iets in het systeem als geheel is dat verbeterd kan worden.

Nuttige observaties, die veel uitgebreider staan (en met hele fraaie voorbeelden van hoe het wel en niet moet) in deze bundel: symposiumbundel-de-risico-regelreflex-in-het-openbaar-bestuur(1)