Hoe in te kopen in het sociaal domein?

Hoe gaan gemeenten om met de inkoop van nieuwe taken in de WMO? Het CPB deed onderzoek en presenteerde vandaag de resultaten. Het was een boeiende seminar – vooral vanwege de Murphy’s Law gehalte. Alles wat fout kon gaan, ging fout. Er was een onduidelijke aanmeldprocedure met lange rijen, een spreker die onwel werd, de geluidsinstallatie sloeg op tilt en middenin een presentatie ging de beamer uit. Zoals gebruikelijk waren de leukste gesprekken echter achteraf bij de borrel (met lauw bier en dito bitterballen).

Marc Pomp (http://www.marcpomp.nl/Wie.html) startte met een betoog over doelmatigheid in de gezondheidszorg. Gemeenten willen graag naar vormen van populatiebekostiging, maar daar zijn wel een aantal randvoorwaarden voor nodig. Belangrijkste: je moet als gemeente je doelstellingen wel helder hebben en ook de gewenste kwaliteit goed kunnen definiëren. Anders krijg je een ‘run to the bottom’ met steeds lagere prijzen en dalende kwaliteit. Alle ins en outs en ervaringen hiermee internationaal zijn te vinden in deze publicatie: https://www.nza.nl/1048076/1048181/Research_paper_Populatiebekostiging_Panacee_hype_of_verkapt_kartel.pdf. Verplichte kost voor iedere gemeente die overweegt met deze financieringsvorm te gaan werken.

Daarna kwamen de resultaten van het CPB onderzoek langs. Er staat een keurige samenvatting in het rapport: http://www.cpb.nl/publicatie/taken-uitbesteed-maar-dan-de-gemeente-als-inkoper-binnen-het-sociaal-domein. Anders dan de titel vermoedt gaat het alleen over de nieuwe taken van de WMO. De ultrakorte conclusie? Onder tijdsdruk hebben de meeste gemeenten in regionaal verband de oude AWBZ bekostigingsvorm (product x prijs) toegepast. Ongeveer 1/3 is met andere vormen aan de slag gegaan. Het rapport is verder wel een handzaam overzicht van alle sturingsknoppen voor inkoop in het sociaal domein en wat dat betreft zeer aan te raden als naslagwerk.

Kritiek uit de zaal kwam op de economische benadering van het CPB – en zij zijn niet de enige die de hele decentralisatie als een bezuinigingsopgave zien. Het ging toch over een andere manier van met elkaar omgaan? Op uitgedaagd worden op wat je als mens wél kan, ook al zijn je mogelijkheden beperkt? Er zit een gedachtegoed achter en die raakt ver op de achtergrond met dit soort analyses.

Bij de discussie na afloop en bij de borrel heb ik lang gesproken met een vertegenwoordiger van de WMO Adviesraad voor jeugdhulp van Utrecht Zuid-Oost. Net als ik mist zij de stem van de cliënt in alle inkoop afspraken die nu gemaakt worden. Geld en technische discussies domineren het gesprek en hoewel er volop in regionaal verband wordt samengewerkt worden er geen regionale platforms ondersteund waarin de stem van de cliënt gehoord wordt. Ik ben blij dat we dit hiaat gaan vullen in onze regio (Noord Oost Brabant) wat jeugdhulp betreft in 2016, maar het is natuurlijk wel twee jaar te laat.

Er is, kortom, nog volop werk aan de winkel.

Bijen vang je met honing, niet met azijn. #decentralisaties

Met stijgende verbazing lees ik de afgelopen periode allerlei noodkreten van instellingen in de zorg. Steevast wijzen ze naar gemeenten.

Van de een gaat het niet snel genoeg – de aanbieders willen NU contracten getekend hebben. Er lijkt daar weinig besef van dat ze zelf daar ook een rol in spelen. Gemeenten leggen namelijk niet eenzijdig contracten op, ze worden met de instellingen zelf uitonderhandeld. Als dat langer duurt dan verwacht, dan komt dat van twee kanten. En gemeenten hebben nog maar net zicht op de budgetten die ze krijgen. Zonder geld kan je geen contracten afsluiten, dat lijkt mij een vrij normale volgorde. En ze moeten natuurlijk ook allemaal nog door de gemeenteraad worden goedgekeurd in november – dat is nou eenmaal hoe onze democratie werkt. Enig begrip en wat meedenken in hoe je hier praktisch mee om kan gaan, zou een stuk constructiever zijn dan blijven klagen.

Weer anderen vinden dat het tempo van de veranderingen niet snel genoeg gaat: er is teveel aandacht voor de transitie, dus de overheveling, en te weinig voor de vernieuwing kwam van de week vanuit de Eigen Kracht Centrale. Een zorgvuldige transitie in 4 maanden tijd is iets dat uiteraard de aandacht vraagt – gemeenten hebben nog steeds niet alle gegevens van de mensen die nu zorg ontvangen, zodat ze ze kunnen informeren en afspraken maken voor volgend jaar. Dus het lijkt mij nogal wiedes dat je eerst de transitie regelt. Verwijten maken naar gemeenten op dit punt is echt niet gepast.

Weer andere partijen vinden gemeenten niet kundig en waarschuwen steeds voor de rampen die ons staan te wachten. Het lijkt ze niet te deren dat zij straks van diezelfde gemeenten afhankelijk zijn voor hun inkomsten. Wat voor een hypotheek leg je op de samenwerking als je nu al je partner als niet-deskundig kwalificeert? En wat voor aanbod heb je als instelling richting gemeente gedaan om die vermeende gebrek aan deskundigheid op te lossen?

Het zou een stuk prettiger samenwerken zijn als er vanuit het veld iets meer van een constructieve houding aangenomen zou worden. Iedereen weet dat het een zware operatie is, dat met grote bezuinigingen gepaard gaat. Die bezuinigingen doen zeer. Dat beseffen gemeenten maar al te goed. Een constructieve gesprek hierover is zeker mogelijk, en lijkt mij een stuk productiever dan de modder die nu naar gemeenten wordt gegooid.

De gemiste kansen van de WWNV

Als projectleider voor de implementatie van de nieuwe Wet Werken naar Vermogen vind ik er natuurlijk ook wat van. De basisgedachte is prima: het samenvoegen van een aantal stelsels en het meer lonend maken om aan het werk te gaan. Ook de basisgedachte van loondispensatie juich ik toe: er is nu eenmaal een groep mensen die niet de productiviteit heeft die bij het wettelijk minimum loon hoort, en dan is het logisch als een werkgever daar minder voor betaalt. Toch zitten er een aantal elementen in de nieuwe wet waar ik minder gelukkig mee ben.

Vanuit de uitvoering bekeken zijn alle verplichtingen die rondom de loondispensatie zijn opgenomen echt een draak. Werkgevers willen ontzorgd worden, maar dat wordt op deze manier wel erg moeilijk gemaakt. Moeilijk is het ook voor de persoon om wie het gaat: probeer maar eens de nieuwe bepalingen in de wet uit te leggen aan iemand met een IQ van 80….. En dat is wel een behoorlijke groep binnen de doelgroep van de WWNV.

Vanuit de gedachte dat opgebouwde rechten moeten blijven bestaan worden de oude Wajong en de oude WSW geheel intact gelaten. Dat heeft een hoop vervelende consequenties: voor de uitvoering (die alle oude regelingen ook moeten uitvoeren), voor de SW-bedrijven (die wel gekort worden, zonder dat er ruimte is om op dit punt iets te doen), maar ook voor de mensen om wie het gaat. Je krijgt hier op twee punten last van: allereerst in het plaatsen van de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ doelgroep op de arbeidsmarkt: de voorwaarden waaronder de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ groep aan de slag gaat zijn wezenlijk verschillend. Voor werkgevers is dit een onbegrijpelijk verhaal: twee mensen met gelijke mogelijkheden worden volkomen verschillend beoordeeld en beloond. Voor de mensen om wie het gaat is dit evenzeer zuur: er treedt een mate van rechtsongelijkheid op die zijn weerga niet kent. Een herkeuring met nette afbouw-regeling was hier beter (en eerlijker) geweest.

Een ander punt waar ik moeite mee heb, is wat er wel en niet geregeld is. De wet zit vol bepalingen over hoe gemeenten van alles moeten regelen (hetgeen de nodige bureaucratie met zich meebrengt), maar daar waar het zou lonen om iets landelijk te regelen, is dat niet gebeurd. Naar mijn idee missen we landelijk coördinatie op een viertal punten.
1. Er is veel kritiek op wat gemeenten hebben bereikt rondom re-integratie de afgelopen jaren, maar er is geen wetenschappelijk onderzoeksprogramma opgezet om te kijken wat er dan wel werkt.
2. Met de wetswijziging en de cultuuromslag die het met zich meebrengt is er een anderssoortige opleiding nodig voor mensen die in de sector komen werken: dat zou toch mooi op landelijk niveau ontwikkeld kunnen worden, maar er is nu niemand met dit onderwerp bezig.
3. Op het gebied van ICT is er geen standaard ontwikkeld die de samenwerking met het UWV en tussen gemeenten op het gebied van werkgeversbenadering faciliteert.
4. Een andere gemiste kans en een die ook niet door de vakverenigingen wordt opgepakt is risico management. Met de WWNV en de andere decentralisaties gaan gemeenten een groot financieel en maatschappelijk risico lopen. Risicobeheersing komt dus met stip bovenaan de control agenda te staan. Helaas is er voor de WWNV nog steeds geen enkele tool beschikbaar die gemeenten helpt om vooruit te kijken. Er is niemand die een inschatting kan maken van hoeveel mensen je de komende tijd moet helpen, een soort ‘rolling forecast’ zodat je op tijd kunt inspelen op stijging en daling van de vraag. Ook dit is een onderwerp waar een landelijke benadering zou lonen: we hebben het namelijk allemaal nodig.

Gemiste kansen dus. Nu maar hopen dat de Tweede Kamer een aantal van die kansen pakt als de wet behandeld wordt.

Drie maanden brainstormen


Bestuurswerk is vaak inspirerend. Deze week voor mij helemaal.

Ik ben bestuurslid bij een kleine kunstinstelling (3,7 fte betaalde krachten, tientallen vrijwilligers en heel veel fans). Als gevolg van alle bezuinigingen zijn zij zich opnieuw aan het uitvinden. De manier waarop dat gaat vind ik vermeldenswaardig. Gisteravond mocht ik weer aanschuiven bij een van de sessies waarin het besproken wordt en ik kwam er helemaal opgeladen vandaan. Hoe dat komt? De manier waarop ze dit aan het doen zijn is een kunstwerk op zichzelf.

Er zijn gedurende een periode van drie maanden gesprekken georganiseerd tussen staf, vrijwilligers, bestuur en mensen van buiten. De uitnodiging is open: wie kan, schuift aan. Vaste factor in het geheel is de directrice en een van de vrijwilligers. Voor de rest kent iedere bijeenkomst eigenlijk een andere samenstelling. Het gesprek verloopt organisch. De eerste sessies zijn vooral geweest over een artistiek concept. Die begint nu langzaamaan wat te stollen en gaan de gesprekken vooral over hoe dat vorm moet krijgen, en hoe je daar een solide business van kunt maken. Tijdens ieder gesprek komen ook allerlei leestips over tafel, iedereen is zich nu ook suf aan het lezen (zowel digitaal als analoog).

Waarom is dit zo leuk? Een aantal redenen:
· Ik ken maar weinig organisaties die mensen van buiten uitnodigen om met ze te reflecteren over hun missie en visie: die wordt eigenlijk bijna altijd vastgesteld door interne mensen. Met mensen van buiten de organisatie levert het nieuwe input en inspiratie op.
· Het zijn ook echte brainstorms. ‘Ja, maar’ wordt ogenblikkelijk gecorrigeerd naar ‘ja, en’. Mensen luisteren naar elkaar en vragen door. Ideeën worden niet afgewezen, je ziet tijdens het gesprek wel wat aan het aanslaan is omdat het energie oplevert.
· De gesprekken gaan van abstract naar concreet en weer terug op een hele natuurlijke manier. Dat is prettig omdat abstracte concepten ter plekke een vertaling krijgen, en de praktijk van betekenis wordt voorzien.
· Het is een multi-disciplinair gezelschap, bestuursleden zijn veelal niet afkomstig uit de sector en brengen dus ervaring uit andere disciplines met zich mee.
· De verslagen van de sessies worden niet tussendoor gepubliceerd. Daardoor blijven ze ‘intact’: er komt niet nog een kritische noot erover heen bij de volgende sessie.
· Er is geen agenda met planning, alleen een tijd van aanvang. Het eindigt als de discussie klaar is.
· De sessies worden goed voorbereid: wie komt er van buiten, waarom is hij/zij uitgenodigd is vooraf duidelijk.

Ben benieuwd of dit ook op andere plekken te doen is?

Gaan we het redden?

Deze week was ik bij het ‘Festival der Bestuurskunde’ http://festival.bestuurskunde.nl/, die dit jaar als thema ‘De kracht van krimp’ had en misschien wel daarom uitverkocht was. De locatie was erg toepasselijk: Madurodam.

Een van de sprekers was Christopher Pollitt, een Engelsman die in Leuven onderzoek doet. Deze tijd is ongewoon in meerdere opzichten, is zijn betoog. De publieke sector heeft nog nooit voor zo’n bezuinigingsopgave gestaan, het gaat waarschijnlijk behoorlijk lang duren, en het is volstrekt onduidelijk wat het effect van alle maatregelen zal zijn. Pollitt besprak ondermeer drie bezuinigingsstrategiën.

  1. Verspilling tegengaan.

    De omvang van de bezuinigingen betekent dat je er niet komt met efficiëntie of kaasschaaf maatregelen. Die leveren namelijk in de beste gevallen tijdelijk enkele procenten op maar niet de 10 tot 20 procent die her en der gesneden moet worden.

  2. Innovaties.

    Is dit dan een tijdperk waarin noodzakelijke innovaties tot stand kunnen komen, gaan we nu het ei van Columbus dan toch ergens ontdekken? Immers, onder druk wordt alles vloeibaar, er zou zomaar iets moois kunnen opbloeien. De studies naar innovaties laten echter volgens Pollitt een ander beeld zien. Innovaties ontstaan in de luwte, in de marge, niet in het heetst van de strijd waar alles strakker dan strak moet gebeuren. Innovatie heeft de kans en de tijd nodig om te mislukken, en die wordt nu in de publieke sector niet bepaald gegund.

  3. Allianties.

    En allianties en samenwerking dan, kan dat niet helpen? Publiek-private allianties zijn niet per se kostenbesparend, gezamenlijk investeren is nog niet een besparing op je begroting. Daarnaast zijn allianties duur in het onderhoud en komen ze gepaard met vele problemen rondom verantwoording (dat anders gestalte vindt in een democratische omgeving dan bij het bedrijfsleven).

    Daar gaan we het dus waarschijnlijk niet allemaal mee redden aldus Pollitt.

 

Waar gaan we het dan wel mee redden vroeg ik mij na afloop af? Nou, misschien worden deze regeringen in Europa gewoon weggestemd zodra het publiek de daadwerkelijke effecten van de bezuinigingen gaat merken. Dan maar iets meer belasting betalen, maar wel zorg en onderwijs een beetje op orde? Daar heeft op dit moment niemand het over maar het is wel een reële mogelijkheid. Ben benieuwd wat er gaat gebeuren.

 

Een vollediger weergave van de bijdrage van Pollitt is te lezen in een artikel die hij eerder hierover schreef, deze kan je met deze link bekijken: christopher_pollitt



Dromen als nuttig tijdverdrijf

Bestuurskundigen zijn apart volk. Ze ogen vaak een beetje grijs, hebben een voorliefde voor donkere pakken en ook de vrouwelijke bestuurskundigen zien er alles behalve avontuurlijk uit. En toch, wat kan men zich vergissen in uiterlijkheden. De Vereniging van Bestuurskunde organiseert al jaren sprankelende congressen met een zeer divers programma, ik ben elk jaar aangenaam verrast. En zelfs hun lijfblad (met oersaaie vormgeving, dat weer wel) heeft thema nummers die zelfs voor een niet-bestuurskundige als ik boeiend, leesbaar en ook weer, sprankelend zijn. Zo ook het themanummer ‘Dromen van democratie en bestuur’, met bijdragen van zulk verschillend pluimage als Dominee Eppe Gremdaat en José Manuel Barroso.

In deze bundel een droom van Jurgen van der Heijden en André Meiresonne (die ik al eerder op een bestuurskundige congres sprak). Hun droom is een wereld waarin het vanzelfsprekend is om verantwoordelijkheden te delen in plaats van te verdelen. Hoe anders dat uitpakt, is hier te lezen.

Jurgen van der Heijden  heeft ook een boek geschreven over samenwerking: ‘Combineer wat je hebt’

Ontwikkelingen binnen sociale diensten (2)

Divosa, de vereniging voor managers binnen sociale diensten, houdt jaarlijks een congres.

Deze en de vorige blog gaan in op wat mij daar opviel. Een vollediger verslag van het congres is te vinden op de site van Divosa.

Waar gaat het heen met de hele sociale zekerheid? Marco Wilke, directeur Drechtwerk pleit ervoor om de discussie over de sociale zekerheid integraal te voeren: zowel de structuur als de inhoud ervan. Op dit moment vindt de discussie gescheiden plaats en dat leidt aan beide kanten tot een verarming van het debat.

Veel discussie ging natuurlijk ook over bezuinigen in tijden van oplopende aantallen werklozen, zowel bij de sprekers als bij het netwerken erna. De heersende gedachte is dat het ook wel een tandje minder kan, als we beter kijken naar het rendement van onze inspanningen. Liesbeth Vos, voorzitter van ROC Friesland ziet mogelijkheden door de werkzaamheden van gemeenten, werkpleinen en ROC’s beter te combineren: waarom geen jongerenloketten binnen het ROC? Zij haalde ook een onderwerp aan waar ik ook een stevige allergie voor heb ontwikkeld: het eindeloos overleggen en structureren en organiseren en coördineren….. in plaats van het probleem gewoon bij de bron aan te pakken met de mensen die het doen.

Samen met Theo Kivits gaf ik een workshop over transparantie en sturing, die leidde ook tot enkele interessante discussies. De sheets die ik gebruikt heb kan je met deze link bekijken :divosa powerpoint. De meeste discussie ontstond over de resultaatgerichteid. Sociale diensten werken met mensen, en in hoeverre kan je nu het effect van alles wat je doet in kaart brengen? Leden die de workshop bijwoonde kwamen zelf met enkele suggesties, waarbij er veel gepleit werd om allemaal te gaan werken met de participatieladder zodat resultaten vergelijkbaar worden. Tweede orde effecten zijn er echter ook: minder cliënten in de bijstand heeft bijvoorbeeld aantoonbaar een positief effect op de gezondheid van mensen. Mijn oproep om meer werk te gaan maken van het bijhouden van maatschappelijke ontwikkelingen en die tijdig te vertalen naar consequenties voor de dienst leidde ook tot veel opwinding. Want waar moet je namelijk op letten? Een collega gaf aan dat in zijn regio 60% van de nieuwe instroom het gevolg is van echtscheidingen. Misschien is dit de manier om emancipatie en zelfredzaamheid van vrouwen weer prominenter op de agenda te krijgen, nu emancipatie van de politieke radar is verdwenen.

Een belangrijke ontwikkeling die nog nauwelijks invulling krijgt is het web 2.0 gedachte. Veel organisaties zijn nog met 1.0 activiteiten bezig als het gaat om het www. (zie voor het verschil hiertussen bijvoorbeeld deze link). Ondertussen is er ook al een web 3.0 in oprichting… Naar aanleiding van die discussie heb ik met de voorzitter van Divosa, René Paas hierover gesproken. De kans is groot dat er binnen Divosa een werkgroep wordt gevormd over web 2.0 en sociale diensten. Wordt vervolgd dus!

Het kan echt met minder…

volgens het wetenschappelijk bureau van het CDA bij monde van Raymond Gradus in een interview in Re-Public begin maart 2010. Volgens zijn analyse heeft de overheid veel taken naar zich toe getrokken de afgelopen jaren. Voorbeelden als huiswerkbegeleiding, zwembad exploitatie, zorgvoorzieningen waarbij er geen rekening wordt gehouden met inkomen, en meer gedurfde onderwerpen komen in het artikel voorbij. Interessant is ook dat hij de link met vertrouwen legt: veel bureaucratie en regelgeving is het gevolg van een diepgewortelde wantrouwen van de overheid naar burgers en bedrijven toe. Zie meer hierover onder de blog artikelen met het onderwerp ‘vertrouwen’. Wordt dat dan toch het thema voor de bezuinigingen vanaf 2012?

Hier het interview : cda zet het mes

Sociaal bezuinigen

De RMO, Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, heeft een heldere brief gepubliceerd over sociaal bezuinigen. Geen lijstjes van wat er minder kan, maar een serie uitgangspunten die overheden kunnen helpen om de juiste keuzes te maken als er in het sociale domein moet worden bezuinigd. De brief geeft zeven principes aan:

1. Beloon bespaarders: creëer een cultuur van zuinigheid.

2. Wees sepecifiek: behandel verschillende gevallen verschillend.

3. Beperk coördinatie: ga uit van productieve ruimte tussen kokers.

4. Stimuleer vakmanschap: bestrijd protocolisering.

5. Schep ruimte voor nieuwe toetreders.

6. Betrek de samenleving (en ontlast de overheid).

7. Organiseer horizontaal toezicht: geef stem aan verankering.

 Via deze link kun je de volledige brief downloaden, het is maar 8 pagina’s lang en biedt een hele verfrissende kijk op bezuinigen.