Wat staat er eigenlijk in het rapport van de @Kinderombudsman waar iedereen het over heeft?

De Kinderombudsman heeft zijn eerste rapport over de toegang tot de jeugdzorg uitgebracht, dat kan niemand ontgaan zijn want de media stond er vol van. Koppen als ‘De toegang tot jeugdzorg is niet goed geregeld’ en ‘Kinderombudsman kritisch na decentralisatie’ kwamen voorbij. Nu kijkt de Kinderombudsman naar de decentralisaties vanuit het perspectief van het kind, dus dat vind ik altijd de moeite waard. Het rapport dus gelezen (het is 55 kantjes en hier te downloaden: http://www.dekinderombudsman.nl/ul/cms/fck-uploaded/2015.KOM008%20Dezorgwaarzerechtophebben-deelrapport1-17april2015.pdf)

Eerst over de opzet van het onderzoek. Voor het kwantitatieve deel hadden de onderzoekers graag de jeugdigen in een gemeente per regio (dus 42 gemeenten) willen benaderen. Om allerlei redenen is dat maar 15 geworden. Binnen die 15 gemeenten zijn er 4.000 brieven uitgezet, en er kwamen maar 341 terug met een antwoord, grofweg 2/3 door ouders ingevuld en 1/3 door kinderen. Dit aantal is op het randje wat representativiteit betreft en de lage respons maakt ook dat er gerede twijfel mag zijn bij de opzet van het onderzoek. Voor het kwalitatieve deel is er in 5 gemeenten met 38 mensen gesprekken gevoerd, waarbij er 6 gesprekken zijn gevoerd met mensen die daadwerkelijk in de toegang tot jeugdzorg actief zijn. Ook hier geldt dat dit niet een basis is om een oordeel te vellen over hoe het hele veld werkt.

Uit het cijfermatige deel (hoe gebrekkig ook) komt het beeld naar voren van een zeer geslaagde transitie: continuïteit van hulp is gerealiseerd, mensen hebben geen negatieve ervaringen bij de transitie gehad. Ze zijn even tevreden over de hulp (7,4 gemiddeld) voor als na 1 januari 2015. Wat ik opvallend vond is dat de helft van de respondenten niet weet waar ze terecht moeten als ze opnieuw om hulp moeten vragen. Dit komt overeen met de gesprekken die ik afgelopen weken heb gevoerd met inwoners die hulp krijgen: zowel de ingang als de weg binnen het systeem zelf zijn niet transparant. Je weet niet waar je moet zijn, en als je dan wel ergens aankomt, weet je niet wat er aan mogelijke vervolg is. Zo is het aanbod van alle instellingen verre van helder en nergens overzichtelijk te vinden.

Uit het kwalitatieve deel ontstaat ook een herkenbaar beeld: de nieuwe toegang is nog niet bij iedereen bekend (dat is ook niet te verwachten als je ziet met wat voor een tempo dit voorbereid moest worden!). Maar belangrijk is wel: “Wijkteams zijn zich bewust van dit risico en de coördinator van één wijkteam gaf aan dat de afspraak onderling is: “als er een kastje naar de muur gevoel ontstaat, direct escaleren””. Dat zie ik ook in mijn eigen gemeente gebeuren: het gaat soms met kunst en vliegwerk, maar we komen er wel aan uit met elkaar.

De wijkteams zijn nog niet helemaal op orde, constateren de onderzoekers. Ze zijn zich er ook van bewust en werken er hard aan om op orde te komen. De nieuwe manier van werken waarbij er naar de gezinssituatie als geheel wordt gekeken wordt als zeer positief ervaren, al zijn er zorgen bij de specialisten dat er onvoldoende kennis aanwezig is (ik denk dan altijd, ja, daar hebben we juist specialisten voor!). De eerste spanning tussen het belang van het individu in een gezin en het gezin als geheel begint zich ook af te tekenen. De werkdruk is hoog bij de wijkteams, alle systemen zijn nog niet op orde en naast nieuwe instroom moet dit jaar ook iedereen worden gesproken die verlenging van hulp wil. Er is zorg over de kennis en expertise wat jeugdhulp betreft: is het in iedere wijkteam wel voldoende aanwezig? Die vraag blijft in het onderzoek hangen, het zou goed zijn als een vervolg onderzoek hier beter aandacht aan zou besteden.

Een andere interessante constatering is dat er (net als voor de transitie) weinig zicht is op de effectiviteit en kwaliteit van jeugdhulp. Gemeenten willen hier terecht de komende jaren meer op inzetten en inkoop organiseren op basis van behaalde resultaten (in plaats van op basis van ingezette trajecten zoals dat door het Rijk en Provincie is gedaan).

Geheel buiten het onderzoek om maar een terechte opmerking van de Kinderombudsman is dat de hele decentralisatie een experiment is. Er is nergens een proef gedraaid voordat het werd ingevoerd, de veronderstellingen onder de decentralisatie zijn nergens getoetst op waarheid. Vandaar ook zijn dringende pleidooi om heel, heel alert te blijven met z’n allen. Want het zijn wel kinderlevens waarmee geëxperimenteerd wordt. Dat we dat wel blijven beseffen.

Gepubliceerd door

Angela

Angelawerkt .... is Angela Riddering. Werkzaam bij de overheid en laat die beter werken.

Geef een reactie