Pleidooi voor gezond wantrouwen

 

Er wordt de laatste tijd veel geschreven over vertrouwen. Je kunt er alles mee oplossen, lijkt het wel. Alle cultuur problemen in organisaties worden teruggevoerd op een gebrek aan vertrouwen. De relatie tussen overheid en burger heeft meer vertrouwen nodig. Leiderschap wordt gedefinieerd als het kunnen vertrouwen en loslaten. Zo’n overdosis aan optimisme over wat je allemaal met vertrouwen kunt bereiken maakt mij altijd een beetje wantrouwig. Als iets te mooi is om waar te zijn, is het meestal ook niet waar. Tegen de trend in hier dus een pleidooi voor gezond wantrouwen.

 

Allereerst de definitie kwestie: is wantrouwen iets anders dan een gebrek aan vertrouwen? Zijn het twee losstaande begrippen of zijn het begrippen die verwijzen naar de twee uiteinden van een glijdende schaal? Dus dat je aan een kant van een lijn wantrouwen hebt, en aan de andere kant, vertrouwen? Is het dus mogelijk om wantrouwen te definiëren als iets anders dan een gebrek aan vertrouwen, en kan je vertrouwen definiëren als iets anders dan een gebrek aan wantrouwen?

Wantrouwen definieert Van Dale als ‘afwezigheid van vertrouwen’. Vertrouwen is daar ‘het geloof in, het bouwen op iemands trouw en oprechtheid, geloof in zijn betrouwbaarheid’. Wantrouwen zou dus ongeloof zijn? Hmm.

Dan naar de definitie van Sako: Vertrouwen is een geestestoestand. Een verwachting van de ene handelspartner over de ander. En die verwachting betreft het gedrag van die ander – dat zal zich namelijk voltrekken op een manier die beide partners verwachten.

Bij wantrouwen is het kenmerkende dan: je weet niet wat er gaat gebeuren. Onzekerheid over wat de ander nu gaat doen. Een geestestoestand waar je ook wel vrolijk van kan worden: er zit een verrassing aan te komen! De menselijke hunkering naar orde en voorspelbaarheid maakt echter dat veel mensen dit niet prettig vinden, en wellicht dat daarom het begrip ‘gezond wantrouwen’ nodig is om uit te drukken dat die onzekerheid er nu eenmaal is, en daarmee om kunnen gaan iets ‘gezonds’ kan hebben.

Die definitie van ‘gezond wantrouwen’ gaan we hier niet opbouwen uit de theorie (want iedereen onderzoekt eigenlijk alleen vertrouwen, dus daar komen we niet zo ver mee). Maar een beetje gezond verstand gebruiken om naar gezond wantrouwen te kijken kan geen kwaad.

 

Wat is dus een ‘gezonde’ manier van omgaan met onzekerheid, wanneer is wantrouwen gezond?

 

Gevoelsmatig denk ik dat we het bestaan van een VWA (de Voedsel en Waren Autoriteit, die ondermeer de hygiëne controleert van keukens in restaurants) noodzakelijk vinden, en dat dit een mooi voorbeeld is van gezond wantrouwen. Dus is het helemaal prima als er controleurs van de VWA de keukens van restaurants in het bejaardenhuis controleren. Niemand zit te wachten op dode bejaarden vanwege vlees wat net een uurtje of drie te lang in de zon heeft gelegen in een niet afgesloten koelbox….

Ik wil dit regel 1 noemen van gezond wantrouwen:

  1. Als er regels zijn die het leven van burgers beschermen, dan is controle hierop uitstekend, en alle wantrouwen op dit punt als ‘gezond’ te verklaren.

 

Gezond wantrouwen is ook zeer nuttig in bepaalde situaties. Als je in een turbulente omgeving bent werkt vertrouwen juist averechts. Als alles om je heen aan het veranderen is, moet je juist niet te sterk vertrouwen op dat wat je gewend bent om te vertrouwen, moet je durven om alles ter discussie te stellen: niets meer te vertrouwen dus. Daar heb je dus niet zoveel aan vertrouwen… (zie verder hiervoor het bijzonder interessante artikel van Krishnan et al). De tweede regel voor gezond wantrouwen is dus:

  1. Als je omgeving turbulent is, moet je meer informatie verzamelen dan alleen je vertrouwde bronnen. In een dergelijke situatie is wantrouwen als gezond te beschouwen.

 

Hoe paradoxaal het ook klinkt, wantrouwen helpt om je resultaten te halen. Als manager kan je niet overal tegelijk zijn, en moet je vertrouwen op je management-informatie, op hoe het voelt als je de afdeling op loopt, op de geruchten in achterkamers, op de informatie die mensen je wel of niet bewust toespelen. Wantrouwen helpt om een keuze te maken uit die enorme moeras aan informatie. Op welk punt denk je, ‘hé, daar klopt iets niet helemaal’, zonder precies te kunnen duiden wat het nu is? Dat is het punt waar je de diepte ingaat, kijken wat er allemaal buiten je gezichtsveld aan het afspelen is. Tien tegen een dat je op die manier wel op tijd kan bijsnoeien, voordat het onkruid verder woekert. De derde regel voor gezond wantrouwen is dus:

  1. Als je ergens leiding geeft, is wantrouwen gezond te noemen als je het gebruikt om de keuze te bepalen voor de punten waarop bijsturing nodig kan zijn.

 

Gezond wantrouwen heeft ook geweldige resultaten als het gaat om tegenstrijdige belangen. Tegenstrijdige belangen zijn er altijd als het gaat om samenwerken: niemand heeft exact dezelfde agenda. Het gezonde van wantrouwen op dit punt is dat het je dwingt om het perspectief van de ander in te nemen. Wat wil je partner in de samenwerking bereiken? En tot hoe ver zal hij/zij daarin willen gaan? Welke andere belangen kunnen een rol spelen? Hoe paradoxaal het ook klinkt, op deze manier helpt wat gezond wantrouwen juist om het vertrouwen te versterken: je hebt dan een beter beeld van de ander, waardoor je beter kunt anticiperen op wat hij/zij gaat doen, en voorspelbaarheid is nou net een van de pijlers onder het werken met vertrouwen. Dus regel 4 voor gezond wantrouwen luidt:

  1. Als je met elkaar samenwerkt, is wantrouwen gezond te noemen als het je helpt om rekening te houden met de verschillende belangen die er altijd zijn.

 

We hebben nu vier mooie basis principes voor situaties waarin wantrouwen gezond is te noemen:

  1. Als de risico’s waar het om gaat, levensbedreigend zijn.
  2. Als de omgeving waarin je verkeert veel aan het veranderen is.
  3. Als je keuzes moet maken over waar er bijsturing nodig is.
  4. Als je samenwerkt en rekening moet houden met de belangen van een ander.

 

Is dit een compleet overzicht? Wie vult aan?

 

 

Gepubliceerd door

Angela

Angelawerkt .... is Angela Riddering. Werkzaam bij de overheid en laat die beter werken.

2 thoughts on “Pleidooi voor gezond wantrouwen”

  1. Gezond wantrouwen lijkt me inderdaad een vorm van assertiviteit die kan helpen wederzijdse verwachtingen af te stemmen zodat het onderlinge vertrouwen gehandhaafd blijft. Grappig dat onderzoekers zich fixeren op het ontstaan van vertrouwen, de positieve kant. Etholoog Frans de Waal zegt over conflicten dat onderzoek te vaak gaat over de negatieve kant: het ontstaan van conflicten en niet het oplossen ervan.

    Dit lijstje van vier redenen voor gezond wantrouwen is wat mij betreft redelijk volledig. Eerst de oersituatie waar ons overlevingsinstinct wordt aangesproken en dan drie situaties die in de werkpraktijk voorkomen en die samen kunnen hangen met overlevingsinstinct.

    Ik zie ook aansluiting op wat Tica Peeman schrijft in I trust you http://www.viswebwinkel.nl/index.php/boeken/i-trust-u.html : dat er in organisaties vier voorspellers zijn van vertrouwen. Als het goed gesteld is met transparantie, betrokkenheid en keuzevrijheid dan is het met vertrouwen in de werkgever (meestal) goed gesteld. Dat komt redelijk overeen met de bovengenoemde factoren 2, 3 en 4.

    1. Bedankt voor de reactie Rob. Punt 1 is inderdaad onze ‘survival instinct’ – is iets een bedreiging of niet? Pas als het definitief geen bedreiging is kan het genegeerd worden of ga je investeren in het opbouwen van vertrouwen.

Geef een reactie